BWBR0049613
Geldig vanaf 2025-02-15
Artikel 9
Subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025 en 2025/2026
1. In aanvulling op hoofdstuk 5 van de Kaderregelingworden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt worden uitgevoerd binnen de periode die de Minister in de beschikking bepaalt;
b. per vestiging neemt ten minste het volgend aantal onderwijsprofessionals per schooljaar deel aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt: 1°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider aan het aspirant-traject voor expertisescholen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;
2°. vijftien personen, indien het een vestiging in het primair onderwijs betreft of veertig personen, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;
3°. vijf personen waaronder ten minste één schoolleider aan een leertraject aangeboden door een expertiseschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c;
4°. twee personen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;
5°. één interne procesbegeleider voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e;
6°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider voor het uitvoeren van de werkzaamheden als expertiseschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f;
1°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider aan het aspirant-traject voor expertisescholen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;
2°. vijftien personen, indien het een vestiging in het primair onderwijs betreft of veertig personen, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;
3°. vijf personen waaronder ten minste één schoolleider aan een leertraject aangeboden door een expertiseschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c;
4°. twee personen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;
5°. één interne procesbegeleider voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e;
6°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider voor het uitvoeren van de werkzaamheden als expertiseschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f;
c. de subsidieontvanger deelt actief zijn kennis met andere vestigingen;
d. de subsidieontvanger die subsidie ontvangt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, zendt jaarlijks vóór 1 oktober een activiteitenverslag aan de Minister, waarin verslag wordt gedaan van de realisatie van de in het activiteitenplan genoemde activiteiten;
e. de subsidieontvanger die subsidie ontvangt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen d en e: 1°. werkt mee aan de monitoring van de implementatie van de aanpak en het in kaart brengen van de effecten; en
2°. draagt er zorg voor dat een leraar of intern procesbegeleider de implementatie van de aanpak uit het co-creatielab begeleidt.
1°. werkt mee aan de monitoring van de implementatie van de aanpak en het in kaart brengen van de effecten; en
2°. draagt er zorg voor dat een leraar of intern procesbegeleider de implementatie van de aanpak uit het co-creatielab begeleidt.
2. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, worden voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, interne procesbegeleiders aangesteld, die elk een lerarenteam begeleiden bij het traject. Bij vestigingen waar minder dan vijftien onderwijsprofessionals werken, indien het een vestiging voor primair onderwijs betreft of minder dan veertig, indien het een vestiging voor voortgezet onderwijs betreft, dienen alle onderwijsprofessionals in het schoolteam deel te nemen aan de trajecten, met uitzondering van onderwijsprofessionals die een aanstelling hebben van minder dan één dag per week. Bij vestigingen waar op het moment van aanvraag meer dan tachtig onderwijsprofessionals werken, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, mogen maximaal drie schoolteams van minimaal veertig medewerkers deelnemen aan de trajecten.
3. De subsidieontvanger is verplicht om de activiteiten uiterlijk in het kalenderjaar 2025 af te ronden.
4. Voor subsidies vanaf € 125.000 geldt dat de subsidieontvanger op uiterlijk 1 juni van het jaar volgend op het laatste bestedingsjaar een eindverslag zendt over de gehele subsidieperiode aan de Minister. Het eindverslag bestaat uit een activiteitenverslag.
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt worden uitgevoerd binnen de periode die de Minister in de beschikking bepaalt;
b. per vestiging neemt ten minste het volgend aantal onderwijsprofessionals per schooljaar deel aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt: 1°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider aan het aspirant-traject voor expertisescholen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;
2°. vijftien personen, indien het een vestiging in het primair onderwijs betreft of veertig personen, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;
3°. vijf personen waaronder ten minste één schoolleider aan een leertraject aangeboden door een expertiseschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c;
4°. twee personen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;
5°. één interne procesbegeleider voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e;
6°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider voor het uitvoeren van de werkzaamheden als expertiseschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f;
1°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider aan het aspirant-traject voor expertisescholen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a;
2°. vijftien personen, indien het een vestiging in het primair onderwijs betreft of veertig personen, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b;
3°. vijf personen waaronder ten minste één schoolleider aan een leertraject aangeboden door een expertiseschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c;
4°. twee personen voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d;
5°. één interne procesbegeleider voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e;
6°. vier personen waaronder ten minste één schoolleider voor het uitvoeren van de werkzaamheden als expertiseschool, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel f;
c. de subsidieontvanger deelt actief zijn kennis met andere vestigingen;
d. de subsidieontvanger die subsidie ontvangt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, zendt jaarlijks vóór 1 oktober een activiteitenverslag aan de Minister, waarin verslag wordt gedaan van de realisatie van de in het activiteitenplan genoemde activiteiten;
e. de subsidieontvanger die subsidie ontvangt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen d en e: 1°. werkt mee aan de monitoring van de implementatie van de aanpak en het in kaart brengen van de effecten; en
2°. draagt er zorg voor dat een leraar of intern procesbegeleider de implementatie van de aanpak uit het co-creatielab begeleidt.
1°. werkt mee aan de monitoring van de implementatie van de aanpak en het in kaart brengen van de effecten; en
2°. draagt er zorg voor dat een leraar of intern procesbegeleider de implementatie van de aanpak uit het co-creatielab begeleidt.
2. In aanvulling op het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, worden voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, interne procesbegeleiders aangesteld, die elk een lerarenteam begeleiden bij het traject. Bij vestigingen waar minder dan vijftien onderwijsprofessionals werken, indien het een vestiging voor primair onderwijs betreft of minder dan veertig, indien het een vestiging voor voortgezet onderwijs betreft, dienen alle onderwijsprofessionals in het schoolteam deel te nemen aan de trajecten, met uitzondering van onderwijsprofessionals die een aanstelling hebben van minder dan één dag per week. Bij vestigingen waar op het moment van aanvraag meer dan tachtig onderwijsprofessionals werken, indien het een vestiging in het voortgezet onderwijs betreft, mogen maximaal drie schoolteams van minimaal veertig medewerkers deelnemen aan de trajecten.
3. De subsidieontvanger is verplicht om de activiteiten uiterlijk in het kalenderjaar 2025 af te ronden.
4. Voor subsidies vanaf € 125.000 geldt dat de subsidieontvanger op uiterlijk 1 juni van het jaar volgend op het laatste bestedingsjaar een eindverslag zendt over de gehele subsidieperiode aan de Minister. Het eindverslag bestaat uit een activiteitenverslag.