BWBR0048883
Geldig vanaf 2023-11-15
Artikel 11
Regeling regionaal investeringsfonds mbo 2024–2027
1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien sprake is van cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting.
3. De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen b, c en d, gezamenlijk, bedraagt ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.
4. De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen a en e tot en met j, bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar. De cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling is uitsluitend in geld en bedraagt ten hoogste 10 procent van de meerjarenbegroting.
5. In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie ten hoogste de helft van de meerjarenbegroting voor zover het een subsidie betreft die betrekking heeft op een samenwerkingsverband in Caribisch Nederland.
6. Onder cofinanciering wordt niet begrepen:
a. de reguliere kosten van de arbeidsorganisatie voor de begeleiding van de student gedurende de beroepspraktijkvorming;
b. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de WEB dan wel de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de WEB; en
c. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel a, van de WEB BES dan wel de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de WEB BES.
2. De subsidie bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting.
3. De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen b, c en d, gezamenlijk, bedraagt ten minste één derde en ten hoogste twee derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar.
4. De cofinanciering door de partijen in het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdelen a en e tot en met j, bedraagt ten hoogste één derde deel van de meerjarenbegroting en is in geld of in geld waardeerbaar. De cofinanciering door de aanvragende onderwijsinstelling is uitsluitend in geld en bedraagt ten hoogste 10 procent van de meerjarenbegroting.
5. In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie ten hoogste de helft van de meerjarenbegroting voor zover het een subsidie betreft die betrekking heeft op een samenwerkingsverband in Caribisch Nederland.
6. Onder cofinanciering wordt niet begrepen:
a. de reguliere kosten van de arbeidsorganisatie voor de begeleiding van de student gedurende de beroepspraktijkvorming;
b. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid, van de WEB dan wel de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, van de WEB; en
c. de vergoeding voor de student in de beroepspraktijkvorming in de beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel a, van de WEB BES dan wel de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de WEB BES.