BWBR0044882
Geldig vanaf 2021-04-01
Artikel 17
Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking
1. De aanvraag gaat vergezeld van:
a. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie; en
b. indien het een productie-installatie betreft die gebruik maakt van windenergie of waterkracht en die op grond van de Omgevingswet vergunningplichtig is: de aanvraag van de omgevingsvergunning krachtens de Omgevingswet.
2. Voor de uitvoering van het eerste lid worden omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in de Omgevingswetwaaraan een termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36 van die wetniet in aanmerking genomen.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die niet op of aan een gebouw zijn aangebracht maar op land staan, die natuurinclusief wordt gerealiseerd, zijn in de vergunning die op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a, van de Omgevingswetnoodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie de volgende voorwaarden opgenomen:
a. er is van bovenaf gezien minimaal 25% open ruimte tussen de tafels met zonnepanelen aanwezig;
b. er is een inrichtingsplan en beheerplan dat ten doel heeft om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen, waarbij deze voorwaarden in ieder geval betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt verleend;
c. de vergunninghouder monitort de effecten van de productie-installatie op de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit en neemt, indien nodig, aanvullende maatregelen om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen, waarbij deze voorwaarden in ieder geval betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt verleend; en
d. de vergunninghouder voert een nulmeting uit om de huidige waarde van de bodemkwaliteit, de waterkwaliteit en de ecologische kwaliteit vast te stellen.
a. de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van de productie-installatie; en
b. indien het een productie-installatie betreft die gebruik maakt van windenergie of waterkracht en die op grond van de Omgevingswet vergunningplichtig is: de aanvraag van de omgevingsvergunning krachtens de Omgevingswet.
2. Voor de uitvoering van het eerste lid worden omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in de Omgevingswetwaaraan een termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36 van die wetniet in aanmerking genomen.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die niet op of aan een gebouw zijn aangebracht maar op land staan, die natuurinclusief wordt gerealiseerd, zijn in de vergunning die op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel a, van de Omgevingswetnoodzakelijk is voor de realisatie van de productie-installatie de volgende voorwaarden opgenomen:
a. er is van bovenaf gezien minimaal 25% open ruimte tussen de tafels met zonnepanelen aanwezig;
b. er is een inrichtingsplan en beheerplan dat ten doel heeft om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen, waarbij deze voorwaarden in ieder geval betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt verleend;
c. de vergunninghouder monitort de effecten van de productie-installatie op de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en biodiversiteit en neemt, indien nodig, aanvullende maatregelen om verslechtering van de bodemkwaliteit, waterkwaliteit en ecologische kwaliteit te voorkomen, waarbij deze voorwaarden in ieder geval betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt verleend; en
d. de vergunninghouder voert een nulmeting uit om de huidige waarde van de bodemkwaliteit, de waterkwaliteit en de ecologische kwaliteit vast te stellen.