BWBR0044728
Geldig vanaf 2021-01-22
Artikel 20
Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden
Niet voor subsidie komen in aanmerking:
a. kosten die naar het oordeel van de minister onredelijk of niet noodzakelijk ter uitvoering van het project zijn gemaakt;
b. kosten die naar het oordeel van de minister niet in redelijke verhouding staan tot de te verrichten activiteiten;
c. kosten gemaakt buiten de projectperiode, met uitzondering van: 1°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 5, tweede lid;
2°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het vierde aanvraagtijdvak;
3°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2022 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het zesde aanvraagtijdvak;
4°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 april 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het achtste of negende aanvraagtijdvak;
5°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het elfde aanvraagtijdvak;
6°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het twaalfde aanvraagtijdvak;
7°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 mei 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak;
8°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot duurzame inzetbaarheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met d, die zijn gemaakt in de periode van 2 september 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak; en
9°. kosten van maandelijkse uitkeringen voor eerder uittreden als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, die zijn gemaakt na afloop van de projectperiode, voor zover de eerste betaling heeft plaatsgevonden binnen de projectperiode;
1°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 5, tweede lid;
2°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het vierde aanvraagtijdvak;
3°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2022 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het zesde aanvraagtijdvak;
4°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 april 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het achtste of negende aanvraagtijdvak;
5°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het elfde aanvraagtijdvak;
6°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het twaalfde aanvraagtijdvak;
7°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 mei 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak;
8°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot duurzame inzetbaarheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met d, die zijn gemaakt in de periode van 2 september 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak; en
9°. kosten van maandelijkse uitkeringen voor eerder uittreden als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, die zijn gemaakt na afloop van de projectperiode, voor zover de eerste betaling heeft plaatsgevonden binnen de projectperiode;
d. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege;
e. kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken;
f. opleidings- en scholingskosten, met uitzondering van de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 13, onder e;
g. kosten voor verbruiksgoederen; of
h. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werkenden voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten.
a. kosten die naar het oordeel van de minister onredelijk of niet noodzakelijk ter uitvoering van het project zijn gemaakt;
b. kosten die naar het oordeel van de minister niet in redelijke verhouding staan tot de te verrichten activiteiten;
c. kosten gemaakt buiten de projectperiode, met uitzondering van: 1°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 5, tweede lid;
2°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het vierde aanvraagtijdvak;
3°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2022 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het zesde aanvraagtijdvak;
4°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 april 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het achtste of negende aanvraagtijdvak;
5°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het elfde aanvraagtijdvak;
6°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het twaalfde aanvraagtijdvak;
7°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 mei 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak;
8°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot duurzame inzetbaarheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met d, die zijn gemaakt in de periode van 2 september 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak; en
9°. kosten van maandelijkse uitkeringen voor eerder uittreden als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, die zijn gemaakt na afloop van de projectperiode, voor zover de eerste betaling heeft plaatsgevonden binnen de projectperiode;
1°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 5, tweede lid;
2°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het vierde aanvraagtijdvak;
3°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2022 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het zesde aanvraagtijdvak;
4°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 april 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het achtste of negende aanvraagtijdvak;
5°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het elfde aanvraagtijdvak;
6°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het twaalfde aanvraagtijdvak;
7°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 mei 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak;
8°. de kosten voor een activiteit met betrekking tot duurzame inzetbaarheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met d, die zijn gemaakt in de periode van 2 september 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak; en
9°. kosten van maandelijkse uitkeringen voor eerder uittreden als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, die zijn gemaakt na afloop van de projectperiode, voor zover de eerste betaling heeft plaatsgevonden binnen de projectperiode;
d. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege;
e. kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken;
f. opleidings- en scholingskosten, met uitzondering van de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 13, onder e;
g. kosten voor verbruiksgoederen; of
h. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werkenden voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten.