BWBR0044637
Geldig vanaf 2021-01-01
Artikel 42
Regeling CO2-heffing industrie
1. Indien in enig jaar de absolute waarde van het verschil tussen het actueel activiteitsniveau en het historisch activiteitsniveau, méér dan 15 procent bedraagt, wordt het aantal dispensatierechten voor dat jaar berekend op basis van het actueel activiteitsniveau in plaats van het historisch activiteitsniveau.
2. In afwijking van het eerste lid wordt het aantal dispensatierechten niet aangepast bij:
a. warmte- of brandstofbenchmark-subinstallaties, indien de daling van het actueel activiteitsniveau aantoonbaar geen verband houdt met een verandering in de productieniveaus van de subinstallaties maar het gevolg is van een toename van energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van de Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau;
b. procesemissie-subinstallaties, broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval en lachgasinstallaties, indien: 1°. een daling van het actueel activiteitsniveau van meer dan 15 procent het resultaat is van overdracht van broeikasgassen als bedoeld in artikel 49 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel;
2° een daling van het actueel activiteitsniveau van meer dan 15 procent waarbij de exploitant op basis van eventueel aanvullende gegevens op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat deze daling geen verband houdt met een verandering in het productieniveau maar het gevolg is van een daling van de emissie per productie-eenheid met meer dan 15 procent.
1°. een daling van het actueel activiteitsniveau van meer dan 15 procent het resultaat is van overdracht van broeikasgassen als bedoeld in artikel 49 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel;
2° een daling van het actueel activiteitsniveau van meer dan 15 procent waarbij de exploitant op basis van eventueel aanvullende gegevens op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat deze daling geen verband houdt met een verandering in het productieniveau maar het gevolg is van een daling van de emissie per productie-eenheid met meer dan 15 procent.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het aantal dispensatierechten niet aangepast bij:
a. warmte- of brandstofbenchmark-subinstallaties, indien de stijging van het actueel activiteitsniveau aantoonbaar geen verband houdt met een verandering in de productieniveaus van de subinstallaties maar het gevolg is van een afname van energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van de Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau;
b. procesemissie-subinstallaties, broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval en lachgasinstallaties, indien de exploitant er niet in slaagt om op basis van eventueel aanvullende gegevens op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit aan te tonen dat de toename van het activiteitsniveau verband houdt met een verandering in de productieniveaus en niet het gevolg is van een stijging van de emissie per productie-eenheid met meer dan 15 procent.
4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, onder 1 en 2, wordt het historische activiteitenniveau 10 jaar bevroren vanaf het jaar dat het actueel activiteitsniveau voor de eerste keer met meer dan 15 procent is gedaald ten opzichte van het historisch activiteitsniveau.
5. Het productieniveau van een broeikasgasinstallatie voor de verbranding van stedelijk afval wordt uitgedrukt in de hoeveelheid afvalstoffen die verbrand worden, uitgedrukt in ton afval/jaar.
2. In afwijking van het eerste lid wordt het aantal dispensatierechten niet aangepast bij:
a. warmte- of brandstofbenchmark-subinstallaties, indien de daling van het actueel activiteitsniveau aantoonbaar geen verband houdt met een verandering in de productieniveaus van de subinstallaties maar het gevolg is van een toename van energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van de Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau;
b. procesemissie-subinstallaties, broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval en lachgasinstallaties, indien: 1°. een daling van het actueel activiteitsniveau van meer dan 15 procent het resultaat is van overdracht van broeikasgassen als bedoeld in artikel 49 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel;
2° een daling van het actueel activiteitsniveau van meer dan 15 procent waarbij de exploitant op basis van eventueel aanvullende gegevens op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat deze daling geen verband houdt met een verandering in het productieniveau maar het gevolg is van een daling van de emissie per productie-eenheid met meer dan 15 procent.
1°. een daling van het actueel activiteitsniveau van meer dan 15 procent het resultaat is van overdracht van broeikasgassen als bedoeld in artikel 49 van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel;
2° een daling van het actueel activiteitsniveau van meer dan 15 procent waarbij de exploitant op basis van eventueel aanvullende gegevens op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit kan aantonen dat deze daling geen verband houdt met een verandering in het productieniveau maar het gevolg is van een daling van de emissie per productie-eenheid met meer dan 15 procent.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het aantal dispensatierechten niet aangepast bij:
a. warmte- of brandstofbenchmark-subinstallaties, indien de stijging van het actueel activiteitsniveau aantoonbaar geen verband houdt met een verandering in de productieniveaus van de subinstallaties maar het gevolg is van een afname van energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van de Verordening aanpassingen kosteloze toewijzing door verandering activiteitsniveau;
b. procesemissie-subinstallaties, broeikasgasinstallaties voor de verbranding van stedelijk afval en lachgasinstallaties, indien de exploitant er niet in slaagt om op basis van eventueel aanvullende gegevens op verzoek van het bestuur van de emissieautoriteit aan te tonen dat de toename van het activiteitsniveau verband houdt met een verandering in de productieniveaus en niet het gevolg is van een stijging van de emissie per productie-eenheid met meer dan 15 procent.
4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, onder 1 en 2, wordt het historische activiteitenniveau 10 jaar bevroren vanaf het jaar dat het actueel activiteitsniveau voor de eerste keer met meer dan 15 procent is gedaald ten opzichte van het historisch activiteitsniveau.
5. Het productieniveau van een broeikasgasinstallatie voor de verbranding van stedelijk afval wordt uitgedrukt in de hoeveelheid afvalstoffen die verbrand worden, uitgedrukt in ton afval/jaar.