BWBR0041395
Geldig vanaf 2018-10-07
Artikel 7.06
Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen
1. Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers voldoen aan de in bijlage 5 vermelde voorschriften Een bevoegde instantie stelt vast of aan deze eisen is voldaan en geeft vervolgens een typegoedkeuring af.
2. Inland ECDIS-apparaten die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als een navigatieradarinstallatie. Zij moeten voldoen aan de eisen van Inland ECDIS-standaard. Aan de in bijlage 5 vermelde voorschriften moet zijn voldaan.
3. De Inland AIS-apparatuur moet voldoen aan de eisen van de Inland AIS-teststandaard. Aan de in bijlage 5 vermelde voorschriften moet zijn voldaan.
4. De bochtaanwijzer moet vóór de roerganger in diens gezichtsveld zijn geplaatst.
5. Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar: a) mag het radarscherm in normale stand niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger vallen;
b) moet het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn;
c) moet de bochtaanwijzer direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.
a) mag het radarscherm in normale stand niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger vallen;
b) moet het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn;
c) moet de bochtaanwijzer direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.
2. Inland ECDIS-apparaten die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als een navigatieradarinstallatie. Zij moeten voldoen aan de eisen van Inland ECDIS-standaard. Aan de in bijlage 5 vermelde voorschriften moet zijn voldaan.
3. De Inland AIS-apparatuur moet voldoen aan de eisen van de Inland AIS-teststandaard. Aan de in bijlage 5 vermelde voorschriften moet zijn voldaan.
4. De bochtaanwijzer moet vóór de roerganger in diens gezichtsveld zijn geplaatst.
5. Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar: a) mag het radarscherm in normale stand niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger vallen;
b) moet het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn;
c) moet de bochtaanwijzer direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.
a) mag het radarscherm in normale stand niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger vallen;
b) moet het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn;
c) moet de bochtaanwijzer direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.