BWBR0041395
Geldig vanaf 2018-10-07
Artikel 13.07
Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen
1. De volgende vaartuigen moeten met een bijboot overeenkomstig de Europese norm EN 1914 : 2016, zijn uitgerust: a) motorschepen en sleepschepen met een laadvermogen van meer dan 150 t;
b) sleepboten en duwboten met een waterverplaatsing van meer dan 150 m3;
c) drijvende werktuigen;
d) passagiersschepen.
a) motorschepen en sleepschepen met een laadvermogen van meer dan 150 t;
b) sleepboten en duwboten met een waterverplaatsing van meer dan 150 m3;
c) drijvende werktuigen;
d) passagiersschepen.
2. Bijboten moeten binnen 5 minuten, te rekenen vanaf de eerste daartoe noodzakelijke handeling, door één persoon veilig te water kunnen worden gelaten. Indien zij door middel van een door een motor aangedreven inrichting te water worden gelaten, moet deze zo zijn ingericht dat uitvallen van de energietoevoer het snel en veilig te water laten niet kan verhinderen.
3. Opblaasbare bijboten moeten zijn getest overeenkomstig de instructies van de fabrikant.
b) sleepboten en duwboten met een waterverplaatsing van meer dan 150 m3;
c) drijvende werktuigen;
d) passagiersschepen.
a) motorschepen en sleepschepen met een laadvermogen van meer dan 150 t;
b) sleepboten en duwboten met een waterverplaatsing van meer dan 150 m3;
c) drijvende werktuigen;
d) passagiersschepen.
2. Bijboten moeten binnen 5 minuten, te rekenen vanaf de eerste daartoe noodzakelijke handeling, door één persoon veilig te water kunnen worden gelaten. Indien zij door middel van een door een motor aangedreven inrichting te water worden gelaten, moet deze zo zijn ingericht dat uitvallen van de energietoevoer het snel en veilig te water laten niet kan verhinderen.
3. Opblaasbare bijboten moeten zijn getest overeenkomstig de instructies van de fabrikant.