BWBR0038197
Geldig vanaf 2016-10-01
Artikel 7
Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3, onderdelen a tot en met c, verricht, houdt zich daarbij aan de volgende regels:
a. kabels of leidingen worden in een sleuf of in een goot gelegd;
b. kabels of leidingen worden op een diepte van ten minste 0,60 meter gelegd;
c. kabels en leidingen worden zoveel mogelijk geconcentreerd en gebundeld gelegd;
d. de uitkomende grond wordt in de oorspronkelijke volgorde weer in de sleuf gelegd;
e. graszoden worden boven de te graven sleuf gestoken en opzij gezet;
f. de sleuf wordt onmiddellijk na de werkzaamheden op deugdelijke wijze verdicht;
g. de aangevulde sleuven worden over de volle lengte en over de volle breedte, gedurende een jaar na het gereedkomen van de werkzaamheden op kosten van degene die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, onderhouden;
h. de diepte van de kruising met het spoor en de ligging ten opzichte van het spoor van de kabels worden ingemeten en weergegeven op een revisietekening die binnen vier weken na afronding van de activiteit, of wanneer deze activiteit onderdeel is van meerdere activiteiten, na afronding van de laatste activiteit, wordt ingediend bij de beheerder;
i. kabels en leidingen worden ten opzichte van reeds aanwezige, parallel aan het spoor liggende kabels, leidingen of beschermbuizen op een afstand van ten minste 0,20 meter gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabels, leidingen of beschermbuizen;
j. in het geval kabels en leidingen worden gekruist: 1° worden de nieuwe kabels en leidingen onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;
2° worden de nieuwe kabels en leidingen op een afstand van ten minste 0,20 meter ten opzichte van bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis;
3° worden de nieuwe kabels en leidingen voorzien van een beschermbuis indien de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen minder dan 0,80 meter bedraagt, waarbij de buitenzijde van de aan te leggen beschermbuis reikt tot ten minste 0,80 meter voorbij de buitenzijde van de te kruisen kabels, leidingen of beschermbuizen.
1° worden de nieuwe kabels en leidingen onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;
2° worden de nieuwe kabels en leidingen op een afstand van ten minste 0,20 meter ten opzichte van bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis;
3° worden de nieuwe kabels en leidingen voorzien van een beschermbuis indien de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen minder dan 0,80 meter bedraagt, waarbij de buitenzijde van de aan te leggen beschermbuis reikt tot ten minste 0,80 meter voorbij de buitenzijde van de te kruisen kabels, leidingen of beschermbuizen.
a. kabels of leidingen worden in een sleuf of in een goot gelegd;
b. kabels of leidingen worden op een diepte van ten minste 0,60 meter gelegd;
c. kabels en leidingen worden zoveel mogelijk geconcentreerd en gebundeld gelegd;
d. de uitkomende grond wordt in de oorspronkelijke volgorde weer in de sleuf gelegd;
e. graszoden worden boven de te graven sleuf gestoken en opzij gezet;
f. de sleuf wordt onmiddellijk na de werkzaamheden op deugdelijke wijze verdicht;
g. de aangevulde sleuven worden over de volle lengte en over de volle breedte, gedurende een jaar na het gereedkomen van de werkzaamheden op kosten van degene die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, onderhouden;
h. de diepte van de kruising met het spoor en de ligging ten opzichte van het spoor van de kabels worden ingemeten en weergegeven op een revisietekening die binnen vier weken na afronding van de activiteit, of wanneer deze activiteit onderdeel is van meerdere activiteiten, na afronding van de laatste activiteit, wordt ingediend bij de beheerder;
i. kabels en leidingen worden ten opzichte van reeds aanwezige, parallel aan het spoor liggende kabels, leidingen of beschermbuizen op een afstand van ten minste 0,20 meter gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabels, leidingen of beschermbuizen;
j. in het geval kabels en leidingen worden gekruist: 1° worden de nieuwe kabels en leidingen onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;
2° worden de nieuwe kabels en leidingen op een afstand van ten minste 0,20 meter ten opzichte van bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis;
3° worden de nieuwe kabels en leidingen voorzien van een beschermbuis indien de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen minder dan 0,80 meter bedraagt, waarbij de buitenzijde van de aan te leggen beschermbuis reikt tot ten minste 0,80 meter voorbij de buitenzijde van de te kruisen kabels, leidingen of beschermbuizen.
1° worden de nieuwe kabels en leidingen onder de bestaande kabels en leidingen aangelegd;
2° worden de nieuwe kabels en leidingen op een afstand van ten minste 0,20 meter ten opzichte van bestaande kabels en leidingen gelegd, gemeten vanaf de buitenzijde van de kabel, leiding of beschermbuis;
3° worden de nieuwe kabels en leidingen voorzien van een beschermbuis indien de afstand tot de bestaande kabels, leidingen of beschermbuizen minder dan 0,80 meter bedraagt, waarbij de buitenzijde van de aan te leggen beschermbuis reikt tot ten minste 0,80 meter voorbij de buitenzijde van de te kruisen kabels, leidingen of beschermbuizen.