BWBR0038197
Geldig vanaf 2016-10-01
Artikel 4
Regeling omgevingsregime hoofdspoorwegen
1. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en het veilig en ongestoord gebruik daarvan is verplicht:
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
2. Deze verplichting houdt in ieder geval in dat binnen het beperkingengebied:
a. de beheerder en partijen die in opdracht van de beheerder handelen, niet worden belemmerd in de zorg voor de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in artikel 16 van de wet;
b. de hoofdspoorweg bereikbaar is voor hulpdiensten;
c. vluchtroutes worden vrijgehouden;
d. objecten zodanig en op voldoende afstand worden geplaatst dat de objecten of onderdelen daarvan niet op de hoofdspoorweg terecht kunnen komen of daaraan schade kunnen veroorzaken;
e. activiteiten dusdanig en op voldoende afstand worden uitgeoefend dat elementen van de hoofdspoorweginfrastructuur zonder belemmering kunnen worden gebruikt en niet worden beschadigd;
f. de bestuurder van een spoorvoertuig niet wordt gehinderd ten aanzien van het waarnemen van seinen;
g. alleen gebruik wordt gemaakt van verlichting bestaande uit wit licht;
h. de beheerder zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van door de activiteiten veroorzaakte beschadiging of zetting van de hoofdspoorweg;
i. er zo spoedig mogelijk melding wordt gedaan aan de beheerder van door de activiteit ontstane calamiteiten, dreigende calamiteiten, onvoorziene omstandigheden of gebreken die gevolgen kunnen hebben voor een veilig en ongestoord gebruik van de hoofdspoorweg;
j. materieel dat wordt gebruikt bij het verrichten van de activiteit zo spoedig mogelijk na beëindiging van deze activiteit wordt verwijderd.
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
2. Deze verplichting houdt in ieder geval in dat binnen het beperkingengebied:
a. de beheerder en partijen die in opdracht van de beheerder handelen, niet worden belemmerd in de zorg voor de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in artikel 16 van de wet;
b. de hoofdspoorweg bereikbaar is voor hulpdiensten;
c. vluchtroutes worden vrijgehouden;
d. objecten zodanig en op voldoende afstand worden geplaatst dat de objecten of onderdelen daarvan niet op de hoofdspoorweg terecht kunnen komen of daaraan schade kunnen veroorzaken;
e. activiteiten dusdanig en op voldoende afstand worden uitgeoefend dat elementen van de hoofdspoorweginfrastructuur zonder belemmering kunnen worden gebruikt en niet worden beschadigd;
f. de bestuurder van een spoorvoertuig niet wordt gehinderd ten aanzien van het waarnemen van seinen;
g. alleen gebruik wordt gemaakt van verlichting bestaande uit wit licht;
h. de beheerder zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van door de activiteiten veroorzaakte beschadiging of zetting van de hoofdspoorweg;
i. er zo spoedig mogelijk melding wordt gedaan aan de beheerder van door de activiteit ontstane calamiteiten, dreigende calamiteiten, onvoorziene omstandigheden of gebreken die gevolgen kunnen hebben voor een veilig en ongestoord gebruik van de hoofdspoorweg;
j. materieel dat wordt gebruikt bij het verrichten van de activiteit zo spoedig mogelijk na beëindiging van deze activiteit wordt verwijderd.