BWBR0035925
Geldig vanaf 2018-01-01
Artikel 2.9
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
1. Het percentage, bedoeld in artikel 30, eerste en derde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedraagt 6%.
2. Onverminderd artikel 30, zesde en negende lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wijst de minister op aanvraag tevens betalingsrechten toe uit de nationale reserve aan de landbouwer:
a. ten aanzien van aanvragen gedaan vanaf 2016, voor wat betreft het areaal dat in 2015 in verband met openbare werken of de aanleg van nutsvoorzieningen niet als subsidiabele hectare als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kan worden aangemerkt,
b. aan wie geen betalingsrechten konden worden toegewezen ten gevolge van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013,
c. ten aanzien van aanvragen gedaan vanaf 2016 voor wat betreft areaal dat tijdelijk uit productie is genomen in het kader van een overeenkomst als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 1272/1988 en waarvoor niet eerder betalingsrechten zijn toegewezen, of
d. ten aanzien van aanvragen gedaan in 2018 voor wat betreft areaal waarvoor in 2015, 2016 of 2017 geen betalingsrechten zijn toegekend omdat het areaal was uitgesloten op grond van artikel 2.10, tweede lid, onderdeel a, zoals dat artikel luidde tot 1 januari 2018, en dat alsnog als subsidiabele hectare, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kan worden aangemerkt, mits de landbouwer aantoont dat dit areaal in werkelijkheid als landbouwgrond wordt gebruikt.
3. Bij de toepassing van artikel 30, zesde en negende lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en het tweede lid worden nieuwe betalingsrechten toegewezen.
4. De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is na 31 december 2012 beëindigd.
5. Geen betalingsrechten uit de nationale reserve worden toegekend aan de landbouwer indien de aanspraak op betalingsrechten uit de nationale reserve gebaseerd is op minder dan 0,3 subsidiabele hectare landbouwareaal.
6. De waarde van de aan de landbouwer toe te wijzen betalingsrechten wordt voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, vastgesteld op de nationale gemiddelde waarde van de betalingsrechten in het jaar van toewijzing.
2. Onverminderd artikel 30, zesde en negende lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wijst de minister op aanvraag tevens betalingsrechten toe uit de nationale reserve aan de landbouwer:
a. ten aanzien van aanvragen gedaan vanaf 2016, voor wat betreft het areaal dat in 2015 in verband met openbare werken of de aanleg van nutsvoorzieningen niet als subsidiabele hectare als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kan worden aangemerkt,
b. aan wie geen betalingsrechten konden worden toegewezen ten gevolge van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013,
c. ten aanzien van aanvragen gedaan vanaf 2016 voor wat betreft areaal dat tijdelijk uit productie is genomen in het kader van een overeenkomst als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 1272/1988 en waarvoor niet eerder betalingsrechten zijn toegewezen, of
d. ten aanzien van aanvragen gedaan in 2018 voor wat betreft areaal waarvoor in 2015, 2016 of 2017 geen betalingsrechten zijn toegekend omdat het areaal was uitgesloten op grond van artikel 2.10, tweede lid, onderdeel a, zoals dat artikel luidde tot 1 januari 2018, en dat alsnog als subsidiabele hectare, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kan worden aangemerkt, mits de landbouwer aantoont dat dit areaal in werkelijkheid als landbouwgrond wordt gebruikt.
3. Bij de toepassing van artikel 30, zesde en negende lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en het tweede lid worden nieuwe betalingsrechten toegewezen.
4. De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is na 31 december 2012 beëindigd.
5. Geen betalingsrechten uit de nationale reserve worden toegekend aan de landbouwer indien de aanspraak op betalingsrechten uit de nationale reserve gebaseerd is op minder dan 0,3 subsidiabele hectare landbouwareaal.
6. De waarde van de aan de landbouwer toe te wijzen betalingsrechten wordt voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, vastgesteld op de nationale gemiddelde waarde van de betalingsrechten in het jaar van toewijzing.