BWBR0035925
Geldig vanaf 2018-01-01
Artikel 2.15
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
1. Als blijvend grasland dat ecologisch kwetsbaar is als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt aangemerkt:
a. blijvend grasland gelegen in gebieden die op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen;
b. door de minister aangewezen hectares blijvend grasland gelegen buiten gebieden die op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen, met inachtneming van de criteria, genoemd in artikel 41 van Verordening (EU) nr. 639/2014.
2. Op blijvend grasland als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend een lichte grondbewerking toegestaan.
3. De minister kan op schriftelijk verzoek van Gedeputeerde Staten van een provincie de aanwijzing als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, opheffen op voorwaarde dat het verzoek vergezeld gaat van:
a. hetzij een ecologische beoordeling waaruit blijkt dat op voorhand is verzekerd dat het opheffen niet zal leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied, hetzij een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206) waaruit blijkt dat opheffing de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten, en
b. een uitgewerkt en onderbouwd voorstel voor het aanwijzen van evenveel hectares ecologisch kwetsbaar blijvend grasland op grond van het eerste lid, onderdeel b.
4. De berekening van het aandeel blijvend grasland vindt plaats met toepassing van artikel 43, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 639/2014.
a. blijvend grasland gelegen in gebieden die op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen;
b. door de minister aangewezen hectares blijvend grasland gelegen buiten gebieden die op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen, met inachtneming van de criteria, genoemd in artikel 41 van Verordening (EU) nr. 639/2014.
2. Op blijvend grasland als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend een lichte grondbewerking toegestaan.
3. De minister kan op schriftelijk verzoek van Gedeputeerde Staten van een provincie de aanwijzing als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, opheffen op voorwaarde dat het verzoek vergezeld gaat van:
a. hetzij een ecologische beoordeling waaruit blijkt dat op voorhand is verzekerd dat het opheffen niet zal leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied, hetzij een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206) waaruit blijkt dat opheffing de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten, en
b. een uitgewerkt en onderbouwd voorstel voor het aanwijzen van evenveel hectares ecologisch kwetsbaar blijvend grasland op grond van het eerste lid, onderdeel b.
4. De berekening van het aandeel blijvend grasland vindt plaats met toepassing van artikel 43, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 639/2014.