BWBR0035925
Geldig vanaf 2018-01-01
Artikel 2.22
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
1. Een landbouwer ontvangt op aanvraag vrijwillige gekoppelde steun inzake graasdierhouderij voor runderen.
2. De steun, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt voor elk vrouwelijk rund waarvoor steun is aangevraagd dat op 15 mei van het jaar van aanvraag aanwezig is op het bedrijf van de aanvrager.
3. De steun wordt alleen verstrekt indien het rund vanaf 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag of, als het dier eerder van het bedrijf van de aanvrager wordt afgevoerd tot de datum van afvoer van het bedrijf van de aanvrager, ononderbroken aanwezig is op niet subsidiabele grond ten behoeve van extensieve begrazing.
4. Een rund wordt voor steun in aanmerking genomen voor elke dag dat het in de periode van 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag aanwezig is op het bedrijf van de aanvrager, maar niet eerder dan vanaf het moment dat het:
a. 12 maanden onafgebroken in Nederland is, en
b. ouder is dan 24 maanden.
5. De eisen inzake identificatie en registratie van runderen waarin Verordening (EG) nr. 1760/2000 voorziet, worden door de landbouwer in acht genomen.
6. Het voldoen aan de voorwaarden in het tweede en vierde lid, wordt beoordeeld op basis van het I&R-systeem rund, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, van de Regeling identificatie en registratie van dieren.
7. De datum, bedoeld in artikel 53, vierde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 639/2014, is 15 mei van het jaar van aanvraag.
8. De aanwezigheid van een rund op niet subsidiabele grond, bedoeld in het derde lid, wordt ten genoegen van de minister aangetoond door middel van voldoende schriftelijk bewijs, waaruit blijkt welke percelen worden begraasd.
2. De steun, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt voor elk vrouwelijk rund waarvoor steun is aangevraagd dat op 15 mei van het jaar van aanvraag aanwezig is op het bedrijf van de aanvrager.
3. De steun wordt alleen verstrekt indien het rund vanaf 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag of, als het dier eerder van het bedrijf van de aanvrager wordt afgevoerd tot de datum van afvoer van het bedrijf van de aanvrager, ononderbroken aanwezig is op niet subsidiabele grond ten behoeve van extensieve begrazing.
4. Een rund wordt voor steun in aanmerking genomen voor elke dag dat het in de periode van 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag aanwezig is op het bedrijf van de aanvrager, maar niet eerder dan vanaf het moment dat het:
a. 12 maanden onafgebroken in Nederland is, en
b. ouder is dan 24 maanden.
5. De eisen inzake identificatie en registratie van runderen waarin Verordening (EG) nr. 1760/2000 voorziet, worden door de landbouwer in acht genomen.
6. Het voldoen aan de voorwaarden in het tweede en vierde lid, wordt beoordeeld op basis van het I&R-systeem rund, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, van de Regeling identificatie en registratie van dieren.
7. De datum, bedoeld in artikel 53, vierde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 639/2014, is 15 mei van het jaar van aanvraag.
8. De aanwezigheid van een rund op niet subsidiabele grond, bedoeld in het derde lid, wordt ten genoegen van de minister aangetoond door middel van voldoende schriftelijk bewijs, waaruit blijkt welke percelen worden begraasd.