BWBR0035848
Geldig vanaf 2019-05-02
Artikel 5
Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen
1. De minister kan een deskundige en onafhankelijke instantie advies vragen in verband met de beoordeling van:
a. het rapport, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onderdeel b;
b. de algemene toetsingscriteria, bedoeld in paragraaf 3.
2. De minister vraagt de RDW te beoordelen:
a. de beschrijving van het veiligheidsniveau, bedoeld in artikel 4, tweede lid;
b. de documenten, genoemd in artikel 4, derde en vierde lid;
c. of het betreffende motorrijtuig voldoet aan de technische toetsingscriteria, bedoeld in paragraaf 4;
d. indien het betreffende motorrijtuig niet aan één of meer van de technische toetsingscriteria, bedoeld in paragraaf 4, voldoet, het rapport, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onderdeel a; en
e. het weggedrag van het betreffende motorrijtuig door middel van rijtesten en, indien dat door de Dienst Wegverkeer in overleg met de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid nodig wordt geacht, door middel van een risico-inventarisatie.
3. Indien de RDW niet op basis van de documentatie, bedoeld in artikel 4, vierde lid, onderdeel c, kan beoordelen of het kwaliteitssysteem voldoende waarborgen biedt, kan de RDW zijn onderzoek uitbreiden met een bezoek aan de in de documentatie genoemde productielocatie.
a. het rapport, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onderdeel b;
b. de algemene toetsingscriteria, bedoeld in paragraaf 3.
2. De minister vraagt de RDW te beoordelen:
a. de beschrijving van het veiligheidsniveau, bedoeld in artikel 4, tweede lid;
b. de documenten, genoemd in artikel 4, derde en vierde lid;
c. of het betreffende motorrijtuig voldoet aan de technische toetsingscriteria, bedoeld in paragraaf 4;
d. indien het betreffende motorrijtuig niet aan één of meer van de technische toetsingscriteria, bedoeld in paragraaf 4, voldoet, het rapport, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onderdeel a; en
e. het weggedrag van het betreffende motorrijtuig door middel van rijtesten en, indien dat door de Dienst Wegverkeer in overleg met de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid nodig wordt geacht, door middel van een risico-inventarisatie.
3. Indien de RDW niet op basis van de documentatie, bedoeld in artikel 4, vierde lid, onderdeel c, kan beoordelen of het kwaliteitssysteem voldoende waarborgen biedt, kan de RDW zijn onderzoek uitbreiden met een bezoek aan de in de documentatie genoemde productielocatie.