BWBR0035848
Geldig vanaf 2019-05-02
Artikel 22
Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen
1. De snelheid van de bijzondere bromfiets is op eenvoudige en doeltreffende wijze regelbaar. De bedieningsorganen voor versnellen en vertragen zijn zodanig ontworpen dat er een logisch verband bestaat tussen de beweging van het bedieningsorgaan en het bewerkstelligde effect.
2. Indien een elektronisch systeem wordt toegepast voor de regeling van de snelheid, dient deze redundant te zijn uitgevoerd. In geval van een storing mag het voertuig in ieder geval niet abrupt versnellen of vertragen.
3. Bij optrekken, afremmen of snelheidsvermindering komen de wielen niet los van de ondergrond en maakt de bijzondere bromfiets geen zijwaartse beweging.
4. De bijzondere bromfiets komt niet in beweging of komt tot stilstand, indien deze in beweging is, als deze niet wordt bediend, de bestuurder zich niet op de bestuurdersplaats bevindt dan wel het contact niet aanstaat.
2. Indien een elektronisch systeem wordt toegepast voor de regeling van de snelheid, dient deze redundant te zijn uitgevoerd. In geval van een storing mag het voertuig in ieder geval niet abrupt versnellen of vertragen.
3. Bij optrekken, afremmen of snelheidsvermindering komen de wielen niet los van de ondergrond en maakt de bijzondere bromfiets geen zijwaartse beweging.
4. De bijzondere bromfiets komt niet in beweging of komt tot stilstand, indien deze in beweging is, als deze niet wordt bediend, de bestuurder zich niet op de bestuurdersplaats bevindt dan wel het contact niet aanstaat.