BWBR0024238
Geldig vanaf 2008-08-25
Artikel 44
Wet tuchtrechtspraak accountants
1. Het College is bij wijze van voorlopige voorziening bevoegd tot het opleggen van een tijdelijke doorhaling van de inschrijving van de betrokkene in de registers:
a. de Autoriteit Financiële Markten, ingeval jegens de betrokkene een ernstig vermoeden is gerezen dat hij heeft gehandeld of heeft nagelaten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties en daardoor zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn;
b. de beroepsorganisatie, ingeval jegens de betrokkene een ernstig vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep en daardoor zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn.
2. Het College kan tot en met het moment van de uitspraak de tijdelijke doorhaling opheffen.
3. De griffier stelt de accountantskamer, de Autoriteit Financiële Markten, de beroepsorganisatie en de betrokkene onverwijld in kennis van een beslissing tot tijdelijke doorhaling als bedoeld in het eerste lid, dan wel tot opheffing daarvan.
4. Over het voornemen tot tijdelijke doorhaling van de inschrijving wordt de betrokkene gehoord.
5. Ingeval het College naar aanleiding van de in <a href="/wet/BWBR0019468/artikel/31" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties</a>of <a href="/wet/BWBR0032573/artikel/42" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep</a>, bedoelde overtredingen beslist tot het opleggen van een tijdelijke doorhaling van de inschrijving gedurende een bepaalde termijn, kan het de periode van de tijdelijke doorhaling van de inschrijving ingevolge het eerste lid in mindering brengen op die termijn.
6. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien tegen betrokkene een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf is ingesteld en het misdrijf mede het beroep van betrokkene raakt.
7. In het geval de inschrijving tijdelijk wordt doorgehaald blijft betrokkene ter zake van handelingen en gedragingen, die gedurende de tijd, dat hij ingeschreven stond, hebben plaats gehad, aan tuchtrechtspraak onderworpen.
a. de Autoriteit Financiële Markten, ingeval jegens de betrokkene een ernstig vermoeden is gerezen dat hij heeft gehandeld of heeft nagelaten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties en daardoor zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn;
b. de beroepsorganisatie, ingeval jegens de betrokkene een ernstig vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep en daardoor zwaarwegende openbare belangen in het geding zijn.
2. Het College kan tot en met het moment van de uitspraak de tijdelijke doorhaling opheffen.
3. De griffier stelt de accountantskamer, de Autoriteit Financiële Markten, de beroepsorganisatie en de betrokkene onverwijld in kennis van een beslissing tot tijdelijke doorhaling als bedoeld in het eerste lid, dan wel tot opheffing daarvan.
4. Over het voornemen tot tijdelijke doorhaling van de inschrijving wordt de betrokkene gehoord.
5. Ingeval het College naar aanleiding van de in <a href="/wet/BWBR0019468/artikel/31" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties</a>of <a href="/wet/BWBR0032573/artikel/42" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 42, eerste lid, van de Wet op het accountantsberoep</a>, bedoelde overtredingen beslist tot het opleggen van een tijdelijke doorhaling van de inschrijving gedurende een bepaalde termijn, kan het de periode van de tijdelijke doorhaling van de inschrijving ingevolge het eerste lid in mindering brengen op die termijn.
6. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien tegen betrokkene een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf is ingesteld en het misdrijf mede het beroep van betrokkene raakt.
7. In het geval de inschrijving tijdelijk wordt doorgehaald blijft betrokkene ter zake van handelingen en gedragingen, die gedurende de tijd, dat hij ingeschreven stond, hebben plaats gehad, aan tuchtrechtspraak onderworpen.