BWBR0024238
Geldig vanaf 2008-08-25
Artikel 5
Wet tuchtrechtspraak accountants
1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 3,– en ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001854/artikel/23" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht</a>.
2. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.
3. Een beslissing tot oplegging van een geldboete bevat de termijn waarbinnen deze moet zijn voldaan. Op verzoek van de betrokkene kan de voorzitter de termijn verlengen. De opgelegde boete komt ten bate van de Staat.
4. Wordt de boete niet binnen de gestelde termijn voldaan, dan kan de accountantskamer na het horen van betrokkene of het daartoe behoorlijk oproepen, ambtshalve beslissen een tuchtrechtelijke maatregel als bedoeld in artikel 2, onderdelen d of e, op te leggen.
2. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.
3. Een beslissing tot oplegging van een geldboete bevat de termijn waarbinnen deze moet zijn voldaan. Op verzoek van de betrokkene kan de voorzitter de termijn verlengen. De opgelegde boete komt ten bate van de Staat.
4. Wordt de boete niet binnen de gestelde termijn voldaan, dan kan de accountantskamer na het horen van betrokkene of het daartoe behoorlijk oproepen, ambtshalve beslissen een tuchtrechtelijke maatregel als bedoeld in artikel 2, onderdelen d of e, op te leggen.