BWBR0023746
Geldig vanaf 2008-08-01
Artikel 11:3
Algemene douanewet
1. Met het opsporen van bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>bedoelde personen, belast de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane, dan wel de ambtenaren die bij regeling van Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat zijn aangewezen.
2. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/156" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering</a>worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,
a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.
De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
3. De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.
4. Het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/148" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.
2. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/156" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering</a>worden alle processen-verbaal betreffende bij deze wet of de daarop berustende bepalingen strafbaar gestelde feiten ingezonden bij de inspecteur. De inspecteur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,
a. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of
b. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,
onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.
De overige processen-verbaal doet de inspecteur, met de in beslag genomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien hij een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.
3. De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weer in handen van de inspecteur te stellen, welke daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 10:15.
4. Het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/148" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>vindt geen toepassing in zaken, waarin de inspecteur het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.