BWBR0023746
Geldig vanaf 2008-08-01
Artikel 1:32
Algemene douanewet
1. Onverminderd artikel 1:5van deze wet en de EU-regelgeving ter zake, zijn <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/15i" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>en de <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 10</a>en <a href="/wet/BWBR0003045/artikel/24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">24 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek</a>van overeenkomstige toepassing:
a. op de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het bepaalde bij of krachtens: 1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet;
1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet;
b. op overige van belang zijnde gegevens voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens: 1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet.
1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet.
2. Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
3. De inspecteur stelt de belanghebbende, op wie de verplichting tot het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid rust, wiens gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert hiervan gelijktijdig in kennis.
a. op de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het bepaalde bij of krachtens: 1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet;
1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet;
b. op overige van belang zijnde gegevens voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens: 1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet.
1°. de in artikel 1:1 bedoelde regelingen;
2°. deze wet.
2. Toegelaten moet worden, dat kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels worden gemaakt van de voor raadpleging beschikbaar gestelde gegevensdragers of de inhoud daarvan.
3. De inspecteur stelt de belanghebbende, op wie de verplichting tot het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid rust, wiens gegevensdragers hij bij een derde voor raadpleging vordert hiervan gelijktijdig in kennis.