BWBR0023746
Geldig vanaf 2008-08-01
Artikel 11:5
Algemene douanewet
1. In zaken waarin de inspecteur het proces-verbaal niet ingevolge het bepaalde in artikel 11:3, tweede lid, aan de officier van justitie heeft doen toekomen, geldt ten aanzien van de inspecteur hetgeen in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/116" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering</a>ten aanzien van het openbaar ministerie is bepaald.
2. In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 552a</a>en <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552ab" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">552ab van het Wetboek van Strafvordering</a>, alvorens het gerecht ingevolge <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552a, vijfde lid</a>, onderscheidenlijk <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552ab" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552ab, vierde lid</a>, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552d van dat wetboek</a>, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552a, vijfde lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552ab" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek</a>een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.
2. In de zaken, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 552a</a>en <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552ab" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">552ab van het Wetboek van Strafvordering</a>, alvorens het gerecht ingevolge <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552a, vijfde lid</a>, onderscheidenlijk <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552ab" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552ab, vierde lid</a>, van dat artikel een beschikking neemt, ook de inspecteur in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en is, in afwijking van het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552d van dat wetboek</a>, niet het openbaar ministerie doch de inspecteur bevoegd tot het instellen van beroep in cassatie. De griffier van het gerecht hetwelk in die zaken ingevolge <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552a, vijfde lid</a>, of <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/552ab" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 552ab, vierde lid, van dat wetboek</a>een beschikking neemt, deelt deze onverwijld mee aan de inspecteur.