BWBR0022174
Geldig vanaf 2009-07-11
Artikel 1.8
Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds
1. De Minister verklaart een subsidieaanvraag niet-ontvankelijk indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 6, van de wet;
b. de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1.4;
c. hij de subsidiabele kosten voor het project of voor de gebundelde projecten raamt op minder dan € 200.000, tenzij het om een subsidieaanvraag gaat waarop artikel 1.6, derde of vierde lid, van toepassing is;
d. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;
e. hij het onaannemelijk acht dat binnen één jaar een aanvang gemaakt kan worden met de uitvoering van het project;
f. de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is, zoals bedoeld in de punten 9 tot en met 11 van de Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2004 C 244/02).
2. Onverminderd het eerste lid, verklaart de Minister een aanvraag ingevolge hoofdstuk 3of 4niet-ontvankelijk indien:
a. de subsidieaanvrager een onderneming is ten aanzien waarvan er een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;
b. de subsidieaanvrager onderneming is die reeds met de werkzaamheden aan het project is begonnen voor het indienen van de aanvraag;
c. de subsidieaanvrager een grote onderneming is die het stimulerend effect, bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, niet kan aantonen.
3. Binnen 8 weken na de laatste dag van de aanvraagperiode waarin de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend toetst de uitvoeringsorganisatie de tijdig ingediende subsidieaanvragen op ontvankelijkheid en biedt zij de Adviescommissie Waddenfonds een overzicht van de ontvankelijke subsidieaanvragen aan.
4. De uitvoeringsorganisatie stelt de indiener van een niet-ontvankelijk verklaarde subsidieaanvraag hiervan binnen 2 weken op de hoogte.
a. de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 6, van de wet;
b. de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1.4;
c. hij de subsidiabele kosten voor het project of voor de gebundelde projecten raamt op minder dan € 200.000, tenzij het om een subsidieaanvraag gaat waarop artikel 1.6, derde of vierde lid, van toepassing is;
d. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;
e. hij het onaannemelijk acht dat binnen één jaar een aanvang gemaakt kan worden met de uitvoering van het project;
f. de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is, zoals bedoeld in de punten 9 tot en met 11 van de Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2004 C 244/02).
2. Onverminderd het eerste lid, verklaart de Minister een aanvraag ingevolge hoofdstuk 3of 4niet-ontvankelijk indien:
a. de subsidieaanvrager een onderneming is ten aanzien waarvan er een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;
b. de subsidieaanvrager onderneming is die reeds met de werkzaamheden aan het project is begonnen voor het indienen van de aanvraag;
c. de subsidieaanvrager een grote onderneming is die het stimulerend effect, bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, niet kan aantonen.
3. Binnen 8 weken na de laatste dag van de aanvraagperiode waarin de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend toetst de uitvoeringsorganisatie de tijdig ingediende subsidieaanvragen op ontvankelijkheid en biedt zij de Adviescommissie Waddenfonds een overzicht van de ontvankelijke subsidieaanvragen aan.
4. De uitvoeringsorganisatie stelt de indiener van een niet-ontvankelijk verklaarde subsidieaanvraag hiervan binnen 2 weken op de hoogte.