BWBR0020791
Geldig vanaf 2007-03-20
Artikel 6.1
Subsidieregeling ESF 2007–2013
De subsidieaanvraag wordt door de minister afgewezen, indien:
a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan in deze regeling gestelde eisen;
b. subsidieverlening in strijd is met artikel 1.2, eerste lid;
c. subsidieverlening tot gevolg heeft dat het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 1.3, wordt overschreden;
d. met het project geen start zal worden gemaakt binnen een tijdsbestek van acht maanden na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag;
e. de kosten van het project naar het oordeel van de minister niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;
f. naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;
g. naar het oordeel van de minister onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden;
h. naar het oordeel van de minister onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;
i. het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s; of
j. naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan artikel 9.1;
k. deze op grond van artikel 1.5, derde lid, tweede zin, niet meedoet aan de loting, bedoeld in dat lid.
a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan in deze regeling gestelde eisen;
b. subsidieverlening in strijd is met artikel 1.2, eerste lid;
c. subsidieverlening tot gevolg heeft dat het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 1.3, wordt overschreden;
d. met het project geen start zal worden gemaakt binnen een tijdsbestek van acht maanden na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag;
e. de kosten van het project naar het oordeel van de minister niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;
f. naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;
g. naar het oordeel van de minister onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden;
h. naar het oordeel van de minister onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;
i. het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s; of
j. naar het oordeel van de minister onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan artikel 9.1;
k. deze op grond van artikel 1.5, derde lid, tweede zin, niet meedoet aan de loting, bedoeld in dat lid.