BWBR0020791
Geldig vanaf 2007-03-20
Artikel 3.8
Subsidieregeling ESF 2007–2013
1. De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedraagt 40% van de voor subsidie in aanmerking te nemen kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag. De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, bedraagt 75% van de voor de subsidie in aanmerking te nemen kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
2. Indien met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, dat wordt uitgevoerd in een sector waarin tot 50% van de werkenden vrouw is, het percentage vrouwen dat het project afrondt lager is dan het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen streefpercentage, wordt het geheel van de voor subsidie in aanmerking komende kosten telkens met evenveel gehele procentpunten verlaagd als het aantal procenten dat het realisatiepercentage gelegen is onder het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen streefpercentage, tot een maximum van vijf procentpunten.
3. Indien de subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als bedoeld in artikel 3.7jegens een derde terzake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan 60% van de subsidiabele kosten, dan wel indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 60% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, wordt de subsidie verlaagd met dit meerdere. Indien de subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als bedoeld in artikel 3.7jegens een derde terzake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan 25% van de subsidiabele kosten, dan wel indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 25% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, wordt de subsidie verlaagd met dit meerdere.
4. Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat tenminste 75% is gerealiseerd van de subsidiabele kosten, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening , wordt met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, het in het eerste lid genoemde percentage van 40% verhoogd:
a. met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit ouderen bestaat;
b. met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit jongeren bestaat;
c. met 1 procentpunt, indien ten minste 10% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit gedeeltelijk-arbeidsgeschikten bestaat;
d. met 1 procentpunt, indien ten minste 40% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit werkenden zonder startkwalificatie bestaat;
e. met 1 procentpunt, indien het aantal vrouwelijke deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen ten minste 5% hoger ligt dan het gemiddelde aantal werkende vrouwen in de desbetreffende sector, overeenkomstig de meest recente CBS-statistiek ‘Banen, Werknemers naar economische activiteit’.
5. Bij de toepassing van het eerste lid blijft de verhoging krachtens het vierde lid buiten beschouwing bij de beoordeling of het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag is bereikt.
6. Het tweede lid is slechts van toepassing ten aanzien van aanvragen, ingediend voor 2 maart 2009; het vierde lid is slechts van toepassing ten aanzien van aanvragen, ingediend na 1 maart 2009.
2. Indien met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, dat wordt uitgevoerd in een sector waarin tot 50% van de werkenden vrouw is, het percentage vrouwen dat het project afrondt lager is dan het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen streefpercentage, wordt het geheel van de voor subsidie in aanmerking komende kosten telkens met evenveel gehele procentpunten verlaagd als het aantal procenten dat het realisatiepercentage gelegen is onder het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen streefpercentage, tot een maximum van vijf procentpunten.
3. Indien de subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als bedoeld in artikel 3.7jegens een derde terzake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan 60% van de subsidiabele kosten, dan wel indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 60% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, wordt de subsidie verlaagd met dit meerdere. Indien de subsidieaanvrager krachtens een overeenkomst dan wel een toezegging als bedoeld in artikel 3.7jegens een derde terzake van de uitvoering van een gesubsidieerd project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, aanspraak heeft op betaling van een bedrag dat meer bedraagt dan 25% van de subsidiabele kosten, dan wel indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dat hij meer dan 25% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening zal nemen, wordt de subsidie verlaagd met dit meerdere.
4. Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat tenminste 75% is gerealiseerd van de subsidiabele kosten, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening , wordt met betrekking tot een project als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onder d, het in het eerste lid genoemde percentage van 40% verhoogd:
a. met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit ouderen bestaat;
b. met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit jongeren bestaat;
c. met 1 procentpunt, indien ten minste 10% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit gedeeltelijk-arbeidsgeschikten bestaat;
d. met 1 procentpunt, indien ten minste 40% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit werkenden zonder startkwalificatie bestaat;
e. met 1 procentpunt, indien het aantal vrouwelijke deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen ten minste 5% hoger ligt dan het gemiddelde aantal werkende vrouwen in de desbetreffende sector, overeenkomstig de meest recente CBS-statistiek ‘Banen, Werknemers naar economische activiteit’.
5. Bij de toepassing van het eerste lid blijft de verhoging krachtens het vierde lid buiten beschouwing bij de beoordeling of het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag is bereikt.
6. Het tweede lid is slechts van toepassing ten aanzien van aanvragen, ingediend voor 2 maart 2009; het vierde lid is slechts van toepassing ten aanzien van aanvragen, ingediend na 1 maart 2009.