BWBR0020764
Geldig vanaf 20-12-2007
Artikel 5:5
Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010
1. De CCR-positiewaarde afkomstig uit de verkochte credit default swaps in de niet-handelsportefeuille wordt gelijkgesteld aan nul, indien deze swaps worden behandeld als door de financiële onderneming verleende kredietprotectie en indien een solvabiliteitsvereiste voor kredietrisico geldt voor het volle nominale bedrag waarover kredietprotectie is verleend.
2. De positiewaarde voor een bepaalde tegenpartij is, ongeacht de daarbij gebruikte methode, in ieder geval gelijk aan de som van de positiewaarden voor ieder samenstel van verrekenbare transacties met die tegenpartij.
3. Ten aanzien van een centrale tegenpartij kan – onder de voorwaarde dat voor de CCR-vorderingen van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen op dagelijkse basis volledig zekerheden worden gesteld – een CCR-positiewaarde van nul worden toegekend aan:
a. afgeleide contracten (derivaten) of retrocessieovereenkomsten;
b. opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen;
c. transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties die uitstaan bij een centrale tegenpartij en die door deze centrale tegenpartij niet zijn verworpen;
d. kredietrisicovorderingen op centrale tegenpartijen die voortkomen uit één van de in de onderdelen a tot en met c genoemde contracten of transacties of door De Nederlandsche Bank aan te wijzen contracten of transacties;
e. onder de voorwaarde dat voor de CCR-vorderingen van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen op dagelijkse basis volledige zekerheden worden gesteld.
4. Vorderingen die voortkomen uit transacties met afwikkeling op lange termijn kunnen worden berekend met gebruikmaking van elk van de methoden, bedoeld in de afdelingen 5.3 tot en met 5.6, ongeacht de methode die is gekozen voor de behandeling van OTC-derivaten en retrocessieovereenkomsten, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties.
5. Bij de berekening van het solvabiliteitvereiste voor transacties met afwikkeling op lange termijn kunnen financiële ondernemingen die de IRB, bedoeld in hoofdstuk 3, toepassen, op permanente basis en ongeacht het belang van dergelijke posities, de risicogewichten, bedoeld in afdeling 2.2, gebruiken.
6. De uitkomst van de methoden, bedoeld in de afdelingen 5.3 en 5.4 kan uitsluitend worden gebruikt indien de nominale waarde van die uitkomst in reële verhouding staat tot het risico dat aan het contract verbonden is. Indien niet aan de eerste volzin wordt voldaan, wordt de nominale waarde aangepast om rekening te houden met het verhoogde risico als gevolg van de risicostructuur van het contract.
2. De positiewaarde voor een bepaalde tegenpartij is, ongeacht de daarbij gebruikte methode, in ieder geval gelijk aan de som van de positiewaarden voor ieder samenstel van verrekenbare transacties met die tegenpartij.
3. Ten aanzien van een centrale tegenpartij kan – onder de voorwaarde dat voor de CCR-vorderingen van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen op dagelijkse basis volledig zekerheden worden gesteld – een CCR-positiewaarde van nul worden toegekend aan:
a. afgeleide contracten (derivaten) of retrocessieovereenkomsten;
b. opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen;
c. transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties die uitstaan bij een centrale tegenpartij en die door deze centrale tegenpartij niet zijn verworpen;
d. kredietrisicovorderingen op centrale tegenpartijen die voortkomen uit één van de in de onderdelen a tot en met c genoemde contracten of transacties of door De Nederlandsche Bank aan te wijzen contracten of transacties;
e. onder de voorwaarde dat voor de CCR-vorderingen van de centrale tegenpartij met alle deelnemers aan haar regelingen op dagelijkse basis volledige zekerheden worden gesteld.
4. Vorderingen die voortkomen uit transacties met afwikkeling op lange termijn kunnen worden berekend met gebruikmaking van elk van de methoden, bedoeld in de afdelingen 5.3 tot en met 5.6, ongeacht de methode die is gekozen voor de behandeling van OTC-derivaten en retrocessieovereenkomsten, opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margeleningstransacties.
5. Bij de berekening van het solvabiliteitvereiste voor transacties met afwikkeling op lange termijn kunnen financiële ondernemingen die de IRB, bedoeld in hoofdstuk 3, toepassen, op permanente basis en ongeacht het belang van dergelijke posities, de risicogewichten, bedoeld in afdeling 2.2, gebruiken.
6. De uitkomst van de methoden, bedoeld in de afdelingen 5.3 en 5.4 kan uitsluitend worden gebruikt indien de nominale waarde van die uitkomst in reële verhouding staat tot het risico dat aan het contract verbonden is. Indien niet aan de eerste volzin wordt voldaan, wordt de nominale waarde aangepast om rekening te houden met het verhoogde risico als gevolg van de risicostructuur van het contract.
- Citeren als
- Art. 5:5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020764
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl