BWBR0020445
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 3.4
Besluit geluidhinder
1. Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel van andere geluidsgevoelige gebouwen kan een hogere dan de ingevolge artikel 3.3, eerste tot en met derde lid, geldende waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan.
2. Indien voor het betrokken andere geluidsgevoelige gebouw eerder bij of krachtens de weteen hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is vastgesteld of indien de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan:
1°. 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in buitenstedelijk gebied;
2°. 63 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in stedelijk gebied.
3. Voor andere dan de in het tweede lid bedoelde andere geluidsgevoelige gebouwen wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan 68 dB.
4. In afwijking van het tweede en derde lid wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde voor andere geluidsgevoelige gebouwen met betrekking waartoe eerder bij of krachtens de wet, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenaderingof de Spoedwet wegverbredingeen hogere waarde is vastgesteld dan de krachtens het eerste tot en met derde lid ten hoogste toelaatbare waarde, niet hoger vastgesteld dan die eerder vastgestelde waarde.
5. Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, kan een hogere dan de ingevolge artikel 3.3, vierde juncto eerste tot en met derde lid, geldende waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat:
a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, en
b. de waarde niet hoger mag worden vastgesteld dan 53 dB.
2. Indien voor het betrokken andere geluidsgevoelige gebouw eerder bij of krachtens de weteen hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting is vastgesteld of indien de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan:
1°. 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in buitenstedelijk gebied;
2°. 63 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in stedelijk gebied.
3. Voor andere dan de in het tweede lid bedoelde andere geluidsgevoelige gebouwen wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde niet hoger vastgesteld dan 68 dB.
4. In afwijking van het tweede en derde lid wordt de krachtens het eerste lid vast te stellen waarde voor andere geluidsgevoelige gebouwen met betrekking waartoe eerder bij of krachtens de wet, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenaderingof de Spoedwet wegverbredingeen hogere waarde is vastgesteld dan de krachtens het eerste tot en met derde lid ten hoogste toelaatbare waarde, niet hoger vastgesteld dan die eerder vastgestelde waarde.
5. Voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, kan een hogere dan de ingevolge artikel 3.3, vierde juncto eerste tot en met derde lid, geldende waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat:
a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, en
b. de waarde niet hoger mag worden vastgesteld dan 53 dB.