1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder akoestische gegevens: de berekening van de 70 dB(A) geluidcontour langs de wegvakken, gebaseerd op de verkeersgegevens over het jaar 2000.
2. Ten aanzien van wegaanpassingsbesluiten voor de in de bijlage, onder B, opgenomen wegaanpassingsprojecten is
titel 11.3 van de Wet milieubeheerniet van toepassing.
3. Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde wegaanpassingsprojecten bevat het wegaanpassingsbesluit de akoestische gegevens, alsmede de maatregel, voor zover deze voortvloeit uit het vierde lid.
4. Indien uit de akoestische gegevens blijkt dat sprake is van een overschrijding van 70 dB(A) bij geluidsgevoelige objecten, wordt in het wegaanpassingsbesluit een geluidreducerende wegdeklaag voorgeschreven, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
5. Uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van het wegaanpassingsbesluit stelt Onze Minister ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde wegaanpassingsprojecten een plan op voor de te treffen maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting die de betrokken geluidsgevoelige objecten vanwege de weg ondervinden. Artikel 4, vierde lid, met uitzondering van het bepaalde onder b en c, is van overeenkomstige toepassing op het plan.
6. Het plan bevat voorts:
a. de beslissing tot het vaststellen of het wijzigen van een geluidproductieplafond voor zover aanleg of wijziging zou leiden tot overschrijding van het geldende geluidproductieplafond, en
b. de referentiepunten ingeval van aanleg of ingeval van verplaatsing van referentiepunten.
7. Het plan bepaalt de termijn waarbinnen de in het vijfde lid bedoelde maatregelen in uitvoering worden genomen.
8. Vanaf het tijdstip waarop het wegaanpassingsbesluit onherroepelijk is geworden tot het tijdstip waarop de maatregelen, bedoeld in het vijfde lid, zijn uitgevoerd, geldt voor de betreffende referentiepunten een vrijstelling van
artikel 11.20 van de Wet milieubeheer.
9. Voor zover het plan en het bestemmingsplan of de beheersverordening niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het plan voor de uitvoering daarvan als omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang, met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Bij de toepassing van
artikel 2.10 van die wetwordt onder bestemmingsplan of beheersverordening mede het plan begrepen. Artikel 11, achtste en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
10. Op de voorbereiding van het plan is
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrechtvan toepassing.