BWBR0020445
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 4.7
Besluit geluidhinder
1. Tot wijziging van een spoorweg met betrekking waartoe een melding is gedaan als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, wordt niet overgegaan dan nadat Onze Minister met betrekking tot de in die bepaling bedoelde woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, uitvoering heeft gegeven aan artikel 4.23, tweede en derde lid.
2. Onze Minister stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid met in achtneming van de artikelen 4.13en 4.14ook voor de gevel van andere dan de in dat lid bedoelde woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van andere dan de in dat lid bedoelde geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting vanwege de spoorweg vast.
3. Onze Minister stelt in een geval als bedoeld in het tweede lid tevens voor elk van de daarvoor in aanmerking komende gevallen maatregelen vast die strekken tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen, onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, tot de bij het besluit, bedoeld in het tweede lid, vastgestelde waarde.
4. In geval van het eerste, tweede en derde lid zijn de artikelen 110a, zevende lid, van de weten 4.4 tot en met 4.6niet van toepassing.
5. In afwijking van het eerste lid, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4.26:
a. is artikel 4.18 niet van toepassing, en
b. worden in afwijking van artikel 4.23, tweede en derde lid, de in die leden bedoelde maatregelen en ten hoogste toelaatbare waarden vastgesteld als onderdeel van een tracébesluit, en blijft in het tweede lid de zinsnede «na ontvangst van zodanig saneringsprogramma» buiten toepassing.
2. Onze Minister stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid met in achtneming van de artikelen 4.13en 4.14ook voor de gevel van andere dan de in dat lid bedoelde woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en aan de grens van andere dan de in dat lid bedoelde geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van die spoorweg, bedoeld in artikel 1.4, de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting vanwege de spoorweg vast.
3. Onze Minister stelt in een geval als bedoeld in het tweede lid tevens voor elk van de daarvoor in aanmerking komende gevallen maatregelen vast die strekken tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen, onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen, tot de bij het besluit, bedoeld in het tweede lid, vastgestelde waarde.
4. In geval van het eerste, tweede en derde lid zijn de artikelen 110a, zevende lid, van de weten 4.4 tot en met 4.6niet van toepassing.
5. In afwijking van het eerste lid, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4.26:
a. is artikel 4.18 niet van toepassing, en
b. worden in afwijking van artikel 4.23, tweede en derde lid, de in die leden bedoelde maatregelen en ten hoogste toelaatbare waarden vastgesteld als onderdeel van een tracébesluit, en blijft in het tweede lid de zinsnede «na ontvangst van zodanig saneringsprogramma» buiten toepassing.