BWBR0020421
Geldig vanaf 2025-07-18
Artikel 134
Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft
1. Het beheerde vermogen van een icbe als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020368/artikel/4:61" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:61, eerste lid, van de wet</a>wordt tot ten hoogste tien procent belegd in effecten en geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven door dezelfde instelling. Een icbe belegt niet meer dan twintig procent van het beheerde vermogen in deposito’s bij één bank.
2. Het tegenpartijrisico van de icbe bij een transactie in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, bedraagt niet meer dan:
a. tien procent van haar vermogen wanneer de tegenpartij een bank met zetel in een lidstaat is of een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is, mits de Nederlandsche Bank heeft vastgesteld dat het prudentieel toezicht in die staat die geen lidstaat is in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen; of
b. vijf procent van haar vermogen, in andere gevallen.
3. De totale waarde van de effecten en de geldmarktinstrumenten die de icbe houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de icbe. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, bij onderscheidenlijk met instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.
4. Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van de icbe tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:
a. effecten en geldmarktinstrumenten die door die instelling zijn uitgegeven;
b. deposito’s bij die instelling; of
c. risico’s ten gevolge van transacties in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, met betrekking tot die instelling.
5. Bij de berekening van de door de icbe gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de icbe wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de icbe gelopen tegenpartijrisico.
2. Het tegenpartijrisico van de icbe bij een transactie in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, bedraagt niet meer dan:
a. tien procent van haar vermogen wanneer de tegenpartij een bank met zetel in een lidstaat is of een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is, mits de Nederlandsche Bank heeft vastgesteld dat het prudentieel toezicht in die staat die geen lidstaat is in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen; of
b. vijf procent van haar vermogen, in andere gevallen.
3. De totale waarde van de effecten en de geldmarktinstrumenten die de icbe houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de icbe. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, bij onderscheidenlijk met instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.
4. Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van de icbe tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:
a. effecten en geldmarktinstrumenten die door die instelling zijn uitgegeven;
b. deposito’s bij die instelling; of
c. risico’s ten gevolge van transacties in financiële derivaten die niet door een centrale tegenpartij met een vergunning als bedoeld in artikel 14 van de EMIR-verordening of met een erkenning als bedoeld in artikel 25 van de EMIR-verordening worden gecleard, met betrekking tot die instelling.
5. Bij de berekening van de door de icbe gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de icbe wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de icbe gelopen tegenpartijrisico.