BWBR0019615
Geldig vanaf 2006-04-30
Artikel 4
Regeling Inspectie van het onderwijs 2006
1. De inspectie maakt inspectieproducten openbaar met inachtneming van artikel 21 van de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet openbaarheid van bestuur(Wob) en de volgende artikelleden.
2. Inspectieproducten als bedoeld in artikel 20 van de WOT(instellingsrapporten in het kader van het reguliere toezicht op de instellingen) worden door de inspectie openbaar gemaakt. Indien het in de rede ligt dat een inspectieproduct als hier bedoeld leidt tot publiciteit, stelt de inspecteur-generaal de secretaris-generaal daar ten minste 10 werkdagen voor de voorgenomen openbaarmaking van in kennis.
3. Ten aanzien van niet in opdracht van de minister opgestelde inspectieproducten als bedoeld in artikel 8 van de WOT(waartoe in elk geval de inspectieproducten behoren die voortvloeien uit het Jaarwerkplan van de inspectie) bepaalt de inspectie in welke vorm openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. Met het ministerie vindt tijdig afstemming plaats over verzending, al dan niet met een reactie van de minister, aan de Tweede Kamer, en wordt overleg gepleegd over de wijze waarop openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt.
4. Ten aanzien van inspectieproducten als bedoeld in artikel 8 van de WOTdie in opdracht van de minister zijn opgesteld, bepaalt de minister in welke vorm openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. De inspectie reikt de minister een voorstel aan omtrent openbaarmaking en publiciteit. Met de inspectie wordt overleg gepleegd over de wijze waarop openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. Indien een inspectieproduct als in dit artikellid bedoeld niet binnen een maand nadat dit door de inspectie voor openbaarmaking en publiciteit aan de minister beschikbaar is gesteld, is openbaar gemaakt, kan de inspectie na overleg met de secretaris-generaal zelf zorgdragen voor openbaarmaking en publiciteit.
5. Aanbieding van inspectieproducten door de inspectie rechtstreeks aan de Tweede Kamer vindt enkel plaats, indien het inspectieproducten betreft waarbij geen reactie van de minister wordt gevoegd, en is enkel mogelijk met instemming van de minister.
6. In situaties waarin deze regeling niet voorziet, vindt overleg plaats tussen de secretaris-generaal en de inspecteur-generaal.
2. Inspectieproducten als bedoeld in artikel 20 van de WOT(instellingsrapporten in het kader van het reguliere toezicht op de instellingen) worden door de inspectie openbaar gemaakt. Indien het in de rede ligt dat een inspectieproduct als hier bedoeld leidt tot publiciteit, stelt de inspecteur-generaal de secretaris-generaal daar ten minste 10 werkdagen voor de voorgenomen openbaarmaking van in kennis.
3. Ten aanzien van niet in opdracht van de minister opgestelde inspectieproducten als bedoeld in artikel 8 van de WOT(waartoe in elk geval de inspectieproducten behoren die voortvloeien uit het Jaarwerkplan van de inspectie) bepaalt de inspectie in welke vorm openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. Met het ministerie vindt tijdig afstemming plaats over verzending, al dan niet met een reactie van de minister, aan de Tweede Kamer, en wordt overleg gepleegd over de wijze waarop openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt.
4. Ten aanzien van inspectieproducten als bedoeld in artikel 8 van de WOTdie in opdracht van de minister zijn opgesteld, bepaalt de minister in welke vorm openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. De inspectie reikt de minister een voorstel aan omtrent openbaarmaking en publiciteit. Met de inspectie wordt overleg gepleegd over de wijze waarop openbaarmaking en publiciteit plaatsvindt. Indien een inspectieproduct als in dit artikellid bedoeld niet binnen een maand nadat dit door de inspectie voor openbaarmaking en publiciteit aan de minister beschikbaar is gesteld, is openbaar gemaakt, kan de inspectie na overleg met de secretaris-generaal zelf zorgdragen voor openbaarmaking en publiciteit.
5. Aanbieding van inspectieproducten door de inspectie rechtstreeks aan de Tweede Kamer vindt enkel plaats, indien het inspectieproducten betreft waarbij geen reactie van de minister wordt gevoegd, en is enkel mogelijk met instemming van de minister.
6. In situaties waarin deze regeling niet voorziet, vindt overleg plaats tussen de secretaris-generaal en de inspecteur-generaal.