BWBR0019615
Geldig vanaf 2006-04-30
Artikel 13
Regeling Inspectie van het onderwijs 2006
1. De inspectie stelt jaarlijks voor 1 april een jaarverslag vast. Een financieel jaarverslag maakt deel uit van het jaarverslag. Het jaarverslag bevat gegevens over de uitoefening van het toezicht door de inspectie, de bedrijfsvoering en de ontwikkelingen in de organisatie in het voorgaande kalenderjaar. De inspectie legt jaarlijks voor 1 maart een concept-jaarverslag voor aan de secretaris-generaal.
2. In het financieel jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over het financiële beheer van de inspectie over het voorafgaande begrotingsjaar overeenkomstig de daarvoor door de minister vastgestelde specificaties.
3. In het jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over de kwaliteit van de toezichtuitoefening in dat jaar. In het verslag geeft de inspectie daartoe onder meer aan:
a. op welke wijze zij de onderwijsinstellingen bij haar kwaliteitsbeleid heeft betrokken en het resultaat daarvan,
b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de inspectie de toetsing van de kwaliteit plaatsvond en het resultaat daarvan,
c. de aard en omvang van klachten over de kwaliteit van de toezichtuitoefening en welk gevolg zij heeft gegeven deze klachten, en
d. de activiteiten ter verbetering van de kwaliteit van het toezicht.
4. De minister zendt het jaarverslag aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.
2. In het financieel jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over het financiële beheer van de inspectie over het voorafgaande begrotingsjaar overeenkomstig de daarvoor door de minister vastgestelde specificaties.
3. In het jaarverslag legt de inspectie verantwoording af over de kwaliteit van de toezichtuitoefening in dat jaar. In het verslag geeft de inspectie daartoe onder meer aan:
a. op welke wijze zij de onderwijsinstellingen bij haar kwaliteitsbeleid heeft betrokken en het resultaat daarvan,
b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de inspectie de toetsing van de kwaliteit plaatsvond en het resultaat daarvan,
c. de aard en omvang van klachten over de kwaliteit van de toezichtuitoefening en welk gevolg zij heeft gegeven deze klachten, en
d. de activiteiten ter verbetering van de kwaliteit van het toezicht.
4. De minister zendt het jaarverslag aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.