BWBR0019615
Geldig vanaf 2006-04-30
Artikel 3
Regeling Inspectie van het onderwijs 2006
1. De inspectie stelt jaarlijks met in achtneming van artikel 8, tweede lid, van de Wet op het onderwijstoezichthet verslag over de staat van het onderwijs vast. In dit onderwijsverslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de beleidsgebieden die in het betreffende jaarwerkplan waren opgenomen.
2. Het onderwijsverslag bevat in ieder geval:
a. een nauwkeurige omschrijving van de mate waarin de wettelijke voorschriften door de instellingen wordt nageleefd,
b. de belangrijkste kwalitatieve ontwikkelingen van het Nederlandse onderwijs, en
c. een beoordeling van de onder b bedoelde ontwikkelingen, voorzover mogelijk in relatie tot relevante ontwikkelingen in de ons omringende landen.
3. De ontwikkeling van het onderwijs, in het bijzonder de kwaliteit ervan, wordt in het onderwijsverslag zoveel mogelijk vastgelegd over meerjarige perioden opdat trends zichtbaar worden.
4. De inspectie kan voor de opstelling van het onderwijsverslag organisatieonderdelen van het ministerie raadplegen.
5. De inspectie stelt conceptteksten van het onderwijsverslag dusdanig tijdig aan het ministerie ter beschikking dat op ambtelijk niveau al het nodige kan worden gedaan om een volledige en adequate beleidsreactie van de minister voor te bereiden. Voor 15 februari legt de inspectie het concept-onderwijsverslag aan de minister voor. In het regulier overleg, bedoeld in artikel 16, worden afspraken gemaakt over de beleidsreactie van de minister en de presentatie van het onderwijsverslag. Voor 1 april legt de inspectie het definitieve onderwijsverslag aan de minister voor.
2. Het onderwijsverslag bevat in ieder geval:
a. een nauwkeurige omschrijving van de mate waarin de wettelijke voorschriften door de instellingen wordt nageleefd,
b. de belangrijkste kwalitatieve ontwikkelingen van het Nederlandse onderwijs, en
c. een beoordeling van de onder b bedoelde ontwikkelingen, voorzover mogelijk in relatie tot relevante ontwikkelingen in de ons omringende landen.
3. De ontwikkeling van het onderwijs, in het bijzonder de kwaliteit ervan, wordt in het onderwijsverslag zoveel mogelijk vastgelegd over meerjarige perioden opdat trends zichtbaar worden.
4. De inspectie kan voor de opstelling van het onderwijsverslag organisatieonderdelen van het ministerie raadplegen.
5. De inspectie stelt conceptteksten van het onderwijsverslag dusdanig tijdig aan het ministerie ter beschikking dat op ambtelijk niveau al het nodige kan worden gedaan om een volledige en adequate beleidsreactie van de minister voor te bereiden. Voor 15 februari legt de inspectie het concept-onderwijsverslag aan de minister voor. In het regulier overleg, bedoeld in artikel 16, worden afspraken gemaakt over de beleidsreactie van de minister en de presentatie van het onderwijsverslag. Voor 1 april legt de inspectie het definitieve onderwijsverslag aan de minister voor.