BWBR0019615
Geldig vanaf 2006-04-30
Artikel 15
Regeling Inspectie van het onderwijs 2006
1. De minister en de secretaris-generaal voeren vier keer per jaar, dan wel vaker indien daartoe aanleiding bestaat, vertrouwelijk overleg met de inspecteur-generaal over de hoofdlijnen van de uitoefening van het toezicht door de inspectie. Voor zover onderwerpen zich daartoe lenen, neemt de Staatssecretaris van Onderwijs of de Staatssecretaris van Cultuur deel aan het overleg.
2. De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal voeren ten minste drie keer per jaar overleg over de uitoefening van het toezicht door de inspectie, de uitvoering van het jaarwerkplan, de bedrijfsvoering en de naleving van deze regeling. De inspecteur-generaal legt daarbij verantwoording af over de besteding van de middelen in relatie tot de behaalde resultaten van de uitvoering van de taken en de bedrijfsvoering.
3. De secretaris-generaal en de directeuren-generaal die het aangaan voeren ten minste vier keer per jaar overleg over de waarnemingen van de inspectie.
2. De secretaris-generaal en de inspecteur-generaal voeren ten minste drie keer per jaar overleg over de uitoefening van het toezicht door de inspectie, de uitvoering van het jaarwerkplan, de bedrijfsvoering en de naleving van deze regeling. De inspecteur-generaal legt daarbij verantwoording af over de besteding van de middelen in relatie tot de behaalde resultaten van de uitvoering van de taken en de bedrijfsvoering.
3. De secretaris-generaal en de directeuren-generaal die het aangaan voeren ten minste vier keer per jaar overleg over de waarnemingen van de inspectie.