BWBR0019107
Geldig vanaf 2005-12-06
Artikel 6.1
Regeling beschikbaarstelling ambtenaren aan de Nederlandse Antillen en Aruba
1. De belanghebbende die met zijn gezinsleden naar de Nederlandse Antillen of Aruba is verhuisd, heeft éénmaal per periode van twaalf maanden van verblijf in de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba voor zichzelf en zijn gezinsleden die met hem in dat land metterwoon verblijven, aanspraak op vergoeding van de kosten van een vliegreis van het land van tewerkstelling naar Nederland en terug.
2. Op de in het eerste lid bedoelde vergoeding bestaat eerst aanspraak twaalf maanden nadat de belanghebbende zijn werkzaamheden in het desbetreffende land heeft aangevangen en onder de voorwaarde dat hij die werkzaamheden na zijn terugkeer op zijn plaats van tewerkstelling in de Nederlandse Antillen of Aruba voor de duur van ten minste drie maanden zal voortzetten. Voor de aldaar verblijvende gezinsleden geldt tevens dat het desbetreffende gezinslid onmiddellijk voorafgaande aan de verlofreis ten minste 6 maanden onafgebroken aldaar in gezinsverband met de belanghebbende in dat land moet hebben verbleven en na terugkeer voor een verdere duur van ten minste zes maanden in het land zal verblijven waar belanghebbende is tewerkgesteld.
3. De belanghebbende die met een of meer gezinsleden naar de Nederlandse Antillen of Aruba is verhuisd, heeft – indien de duur van zijn beschikbaarstelling ten minste twee jaar zal zijn – eenmaal per periode van twaalf maanden ter zake van gezinshereniging met een in Nederland achtergebleven minderjarig kind, voor dat kind, zichzelf of zijn echtgenoot met wie de belanghebbende in dat land verblijft, aanspraak op vergoeding van de kosten voor een vliegreis tussen het land waar de belanghebbende is tewerkgesteld en de woonplaats van het kind in Nederland (v.v.). Deze aanspraak gaat in voor het eerst zes maanden nadat de belanghebbende is aangevangen met zijn werkzaamheden in de Nederlandse Antillen of Aruba.
4. Het bepaalde in het derde lid is van overeenkomstige toepassing op het minderjarige gezinslid van de belanghebbende dat voortijdig is gerepatrieerd. De aanspraak op vergoeding van de vliegreis voor dat kind gaat voor het eerst in zes maanden nadat het desbetreffende kind is gerepatrieerd en voor zover de belanghebbende op de dag van repatriëring van dat kind nog tenminste twaalf maanden in de Nederlandse Antillen of Aruba is tewerkgesteld.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op de echtgenoot met wie de samenlevingsrelatie vóór de tewerkstelling in de Nederlandse Antillen of Aruba minder dan een half jaar heeft geduurd.
2. Op de in het eerste lid bedoelde vergoeding bestaat eerst aanspraak twaalf maanden nadat de belanghebbende zijn werkzaamheden in het desbetreffende land heeft aangevangen en onder de voorwaarde dat hij die werkzaamheden na zijn terugkeer op zijn plaats van tewerkstelling in de Nederlandse Antillen of Aruba voor de duur van ten minste drie maanden zal voortzetten. Voor de aldaar verblijvende gezinsleden geldt tevens dat het desbetreffende gezinslid onmiddellijk voorafgaande aan de verlofreis ten minste 6 maanden onafgebroken aldaar in gezinsverband met de belanghebbende in dat land moet hebben verbleven en na terugkeer voor een verdere duur van ten minste zes maanden in het land zal verblijven waar belanghebbende is tewerkgesteld.
3. De belanghebbende die met een of meer gezinsleden naar de Nederlandse Antillen of Aruba is verhuisd, heeft – indien de duur van zijn beschikbaarstelling ten minste twee jaar zal zijn – eenmaal per periode van twaalf maanden ter zake van gezinshereniging met een in Nederland achtergebleven minderjarig kind, voor dat kind, zichzelf of zijn echtgenoot met wie de belanghebbende in dat land verblijft, aanspraak op vergoeding van de kosten voor een vliegreis tussen het land waar de belanghebbende is tewerkgesteld en de woonplaats van het kind in Nederland (v.v.). Deze aanspraak gaat in voor het eerst zes maanden nadat de belanghebbende is aangevangen met zijn werkzaamheden in de Nederlandse Antillen of Aruba.
4. Het bepaalde in het derde lid is van overeenkomstige toepassing op het minderjarige gezinslid van de belanghebbende dat voortijdig is gerepatrieerd. De aanspraak op vergoeding van de vliegreis voor dat kind gaat voor het eerst in zes maanden nadat het desbetreffende kind is gerepatrieerd en voor zover de belanghebbende op de dag van repatriëring van dat kind nog tenminste twaalf maanden in de Nederlandse Antillen of Aruba is tewerkgesteld.
5. Het eerste lid is niet van toepassing op de echtgenoot met wie de samenlevingsrelatie vóór de tewerkstelling in de Nederlandse Antillen of Aruba minder dan een half jaar heeft geduurd.