BWBR0019107
Geldig vanaf 2005-12-06
Artikel 5.2
Regeling beschikbaarstelling ambtenaren aan de Nederlandse Antillen en Aruba
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. erkende onderwijsinstelling: een door de plaatselijke overheid erkende onderwijsinstelling of naar het oordeel van de Minister daarmede gelijk te stellen instelling;
b. onderwijs: alle soorten van onderwijs aan een erkende onderwijsinstelling;
c. onderwijskosten: voor het onderwijs verschuldigde schoolgelden, met uitzondering van de kosten van huisvesting, schoolmaaltijden en schooluniformen;
d. bijkomende kosten: de voor het onderwijs verschuldigde kosten van registratie, examenkosten en kosten van onderwijsmateriaal, met uitzondering van de kosten van huisvesting, schoolmaaltijden en schooluniformen;
e. schooljaar: een aaneengesloten periode van 12 maanden gerekend vanaf de datum van aanvang van het betreffende onderwijs.
2. De belanghebbende heeft voor elk van zijn kinderen dat met hem in de Nederlandse Antillen of Aruba woonachtig is en daar onderwijs geniet aanspraak op een tegemoetkoming in de onderwijskosten en bijkomende kosten. Deze aanspraak bestaat slechts voor zover voor het desbetreffende kind aanspraak bestaat op kinderbijslag of op een tegemoetkoming in de studiekosten.
3. De in het eerste lid bedoelde kosten worden vergoed tot ten hoogste de tarieven die door een erkende onderwijsinstelling worden gehanteerd.
4. Aanspraak op de tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid, heeft ook de belanghebbende ter zake van de kosten van kleuteronderwijs voor zijn kind of kinderen met de leeftijd van drie jaren, indien:
a. het volgen van kleuteronderwijs door driejarige kinderen in het gebied van verblijf gebruikelijk is en
b. het kind van de belanghebbende door het niet volgen van dat onderwijs naar het oordeel van de Minister in een sociaal isolement komt te verkeren of problemen ontstaan bij de aansluiting op het lager onderwijs, met dien verstande dat de kosten van een crèche, peuterspeelzaal, kinderbewaarplaats en dergelijke niet in beschouwing worden genomen.
5. Bij het vaststellen van de onderwijskosten worden reeds op andere wijze genoten of nog te ontvangen bijdragen en uitkeringen – zoals studiebeurzen – daarop in mindering gebracht. Daarbij blijven premies voor en uitkeringen op grond van een studieverzekering en de basisbeurs buiten beschouwing.
6. Het bedrag van de tegemoetkoming per kind is gelijk aan het verschil tussen:
a. het totaal van de onderwijskosten en bijkomende kosten, die gedurende een schooljaar daadwerkelijk zijn gemaakt en;
b. een vierde gedeelte van het totaal van de in het betrokken schooljaar ontvangen en aan de onder a bedoelde kinderen toe te rekenen bedragen van de kinderbijslag, de basisbeurs, dan wel de tegenwaarde van de fictieve basisbeurs die naar het oordeel van de Minister zou zijn toegekend indien dat kind zijn studie in Nederland zou hebben gevolgd, en de verhoging van de toelage ten behoeve van het desbetreffende kind bedoeld in artikel 3.2.
7. De tegemoetkoming in de onderwijskosten, bedoeld in het tweede lid, wordt op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de belanghebbende en onder overlegging van de betalingsbewijzen, originele rekeningen, bank of giro afschriften en de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank waaruit de aanspraak op kinderbijslag c.q. studie financiering blijkt, aan het einde van elk schooljaar toegekend. Op diens verzoek kan aan het begin van elk schooljaar een voorschot op de tegemoetkoming in de onderwijskosten worden toegekend.
a. erkende onderwijsinstelling: een door de plaatselijke overheid erkende onderwijsinstelling of naar het oordeel van de Minister daarmede gelijk te stellen instelling;
b. onderwijs: alle soorten van onderwijs aan een erkende onderwijsinstelling;
c. onderwijskosten: voor het onderwijs verschuldigde schoolgelden, met uitzondering van de kosten van huisvesting, schoolmaaltijden en schooluniformen;
d. bijkomende kosten: de voor het onderwijs verschuldigde kosten van registratie, examenkosten en kosten van onderwijsmateriaal, met uitzondering van de kosten van huisvesting, schoolmaaltijden en schooluniformen;
e. schooljaar: een aaneengesloten periode van 12 maanden gerekend vanaf de datum van aanvang van het betreffende onderwijs.
2. De belanghebbende heeft voor elk van zijn kinderen dat met hem in de Nederlandse Antillen of Aruba woonachtig is en daar onderwijs geniet aanspraak op een tegemoetkoming in de onderwijskosten en bijkomende kosten. Deze aanspraak bestaat slechts voor zover voor het desbetreffende kind aanspraak bestaat op kinderbijslag of op een tegemoetkoming in de studiekosten.
3. De in het eerste lid bedoelde kosten worden vergoed tot ten hoogste de tarieven die door een erkende onderwijsinstelling worden gehanteerd.
4. Aanspraak op de tegemoetkoming, bedoeld in het tweede lid, heeft ook de belanghebbende ter zake van de kosten van kleuteronderwijs voor zijn kind of kinderen met de leeftijd van drie jaren, indien:
a. het volgen van kleuteronderwijs door driejarige kinderen in het gebied van verblijf gebruikelijk is en
b. het kind van de belanghebbende door het niet volgen van dat onderwijs naar het oordeel van de Minister in een sociaal isolement komt te verkeren of problemen ontstaan bij de aansluiting op het lager onderwijs, met dien verstande dat de kosten van een crèche, peuterspeelzaal, kinderbewaarplaats en dergelijke niet in beschouwing worden genomen.
5. Bij het vaststellen van de onderwijskosten worden reeds op andere wijze genoten of nog te ontvangen bijdragen en uitkeringen – zoals studiebeurzen – daarop in mindering gebracht. Daarbij blijven premies voor en uitkeringen op grond van een studieverzekering en de basisbeurs buiten beschouwing.
6. Het bedrag van de tegemoetkoming per kind is gelijk aan het verschil tussen:
a. het totaal van de onderwijskosten en bijkomende kosten, die gedurende een schooljaar daadwerkelijk zijn gemaakt en;
b. een vierde gedeelte van het totaal van de in het betrokken schooljaar ontvangen en aan de onder a bedoelde kinderen toe te rekenen bedragen van de kinderbijslag, de basisbeurs, dan wel de tegenwaarde van de fictieve basisbeurs die naar het oordeel van de Minister zou zijn toegekend indien dat kind zijn studie in Nederland zou hebben gevolgd, en de verhoging van de toelage ten behoeve van het desbetreffende kind bedoeld in artikel 3.2.
7. De tegemoetkoming in de onderwijskosten, bedoeld in het tweede lid, wordt op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de belanghebbende en onder overlegging van de betalingsbewijzen, originele rekeningen, bank of giro afschriften en de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank waaruit de aanspraak op kinderbijslag c.q. studie financiering blijkt, aan het einde van elk schooljaar toegekend. Op diens verzoek kan aan het begin van elk schooljaar een voorschot op de tegemoetkoming in de onderwijskosten worden toegekend.