BWBR0018831
Geldig vanaf 2023-06-03
Artikel 214f
Wet verplichte beroepspensioenregeling
1. In afwijking van artikel 28kan opbouw van pensioenaanspraken op grond van een uitkeringsregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de <a href="/wet/BWBR0048328" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet toekomst pensioenen</a>, ook vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen worden voortgezet indien:
a. de uitkeringsregeling wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds dat een beëindigde beroepspensioenregeling uitvoert en de beroepspensioenvereniging heeft opgehouden te bestaan;
b. het pensioenaanspraken voor ouderdomspensioen betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd;
c. het recht op de premievrije voortzetting is ontstaan voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.
2. Indien sprake is van premievrije voortzetting in de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, kan, in afwijking van artikel 32en artikel 214e, de regeling van het nabestaandenpensioen ongewijzigd worden voortgezet.
a. de uitkeringsregeling wordt uitgevoerd door een beroepspensioenfonds dat een beëindigde beroepspensioenregeling uitvoert en de beroepspensioenvereniging heeft opgehouden te bestaan;
b. het pensioenaanspraken voor ouderdomspensioen betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die pensioenaanspraken worden opgebouwd;
c. het recht op de premievrije voortzetting is ontstaan voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen.
2. Indien sprake is van premievrije voortzetting in de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, kan, in afwijking van artikel 32en artikel 214e, de regeling van het nabestaandenpensioen ongewijzigd worden voortgezet.