BWBR0018458
Geldig vanaf 2005-08-05
Artikel 7
Besluit luchtkwaliteit 2005
1. Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM 10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en toepassingen van wettelijke voorschriften worden in ieder geval begrepen de bevoegdheden op grond van:
a. de artikelen 1.2, 4.15a, 4.16, 7.27, 7.35, 7.42, 8.2, 8.8, 8.11, derde lid, en 8.40, van de wet;
b. de artikelen 13, 16, 43, 48 en 53 van de Wet inzake de luchtverontreiniging;
c. de artikelen 2a, 2b, 4a, 6, tweede en zesde lid, 7, 10, 11, eerste en tweede lid, 12, 15, 17, 19, 21, 28, 33, 37, tweede en vijfde lid, 38, tweede lid, 39b, 40 en 41, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
d. de artikelen 11 en 15 van de Tracéwet;
e. de artikelen 2, 5 en 8 van de Planwet verkeer en vervoer, en
f. de artikelen 9 en 10 van de Spoedwet wegverbreding.
3. Bestuursorganen kunnen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:
a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de wijze waarop aan het derde lid toepassing kan worden gegeven.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en toepassingen van wettelijke voorschriften worden in ieder geval begrepen de bevoegdheden op grond van:
a. de artikelen 1.2, 4.15a, 4.16, 7.27, 7.35, 7.42, 8.2, 8.8, 8.11, derde lid, en 8.40, van de wet;
b. de artikelen 13, 16, 43, 48 en 53 van de Wet inzake de luchtverontreiniging;
c. de artikelen 2a, 2b, 4a, 6, tweede en zesde lid, 7, 10, 11, eerste en tweede lid, 12, 15, 17, 19, 21, 28, 33, 37, tweede en vijfde lid, 38, tweede lid, 39b, 40 en 41, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;
d. de artikelen 11 en 15 van de Tracéwet;
e. de artikelen 2, 5 en 8 van de Planwet verkeer en vervoer, en
f. de artikelen 9 en 10 van de Spoedwet wegverbreding.
3. Bestuursorganen kunnen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:
a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;
b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin en de wijze waarop aan het derde lid toepassing kan worden gegeven.