BWBR0018458
Geldig vanaf 2005-08-05
Artikel 29
Besluit luchtkwaliteit 2005
1. Gedeputeerde staten inventariseren eenmaal in de drie jaar de plaatsen waar de bevolking naar hun redelijke verwachting direct of indirect kan worden blootgesteld aan luchtverontreiniging, die in overwegende mate wordt veroorzaakt door één of meer inrichtingen die:
a. voor zwaveldioxide meer dan vierentwintig maal per kalenderjaar hoger is dan 350 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie;
b. voor zwaveldioxide meer dan drie maal per kalenderjaar hoger is dan 125 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie;
c. voor lood hoger is dan 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.
2. Gedeputeerde staten stellen op plaatsen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, onderscheidenlijk lood vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling op de in de eerste volzin bedoelde plaatsen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van gedeputeerde staten het hoogst is.
3. Gedeputeerde staten stellen op plaatsen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, in elk van de twee jaren die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, onderscheidenlijk lood, vast waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de toepasselijke in de artikelen 12en 21, genoemde waarden overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. De vaststelling voor zwaveldioxide, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, tweede lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken.
5. De vaststelling voor lood, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, zevende lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
6. Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid, vindt voor de eerste maal plaats in 2006.
a. voor zwaveldioxide meer dan vierentwintig maal per kalenderjaar hoger is dan 350 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie;
b. voor zwaveldioxide meer dan drie maal per kalenderjaar hoger is dan 125 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie;
c. voor lood hoger is dan 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.
2. Gedeputeerde staten stellen op plaatsen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, onderscheidenlijk lood vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling op de in de eerste volzin bedoelde plaatsen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van gedeputeerde staten het hoogst is.
3. Gedeputeerde staten stellen op plaatsen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, in elk van de twee jaren die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, onderscheidenlijk lood, vast waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de toepasselijke in de artikelen 12en 21, genoemde waarden overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. De vaststelling voor zwaveldioxide, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, tweede lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken.
5. De vaststelling voor lood, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, zevende lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
6. Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid, vindt voor de eerste maal plaats in 2006.