BWBR0018458
Geldig vanaf 2005-08-05
Artikel 27
Besluit luchtkwaliteit 2005
1. De vaststelling voor stikstofdioxide bij wegen, bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 30 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
2. De vaststelling voor stikstofdioxide bij inrichtingen, bedoeld in artikel 26, vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken.
3. De vaststelling voor zwevende deeltjes (PM 10), bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, zesde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties en niet meer dan een factor twee van de werkelijke vierentwintig-uurgemiddelde concentraties afwijken.
4. De vaststelling voor koolmonoxide, bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen overeenkomstig artikel 25, achtste lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke acht-uurgemiddelde concentraties afwijken.
5. De vaststelling voor benzeen, bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen overeenkomstig artikel 25, negende lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 30 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
2. De vaststelling voor stikstofdioxide bij inrichtingen, bedoeld in artikel 26, vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken.
3. De vaststelling voor zwevende deeltjes (PM 10), bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 25, zesde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties en niet meer dan een factor twee van de werkelijke vierentwintig-uurgemiddelde concentraties afwijken.
4. De vaststelling voor koolmonoxide, bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen overeenkomstig artikel 25, achtste lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke acht-uurgemiddelde concentraties afwijken.
5. De vaststelling voor benzeen, bedoeld in artikel 26, tweede, derde en vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen overeenkomstig artikel 25, negende lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.