BWBR0018397
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 94t
Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s
1. Een houder van kippen of kalkoenen laat die dieren overeenkomstig dit artikel onderzoeken, waarbij een bloedmonster van:
a. kippen of kalkoenen wordt onderzocht op de aanwezigheid van antistoffen tegen Mycoplasma gallisepticum, en
b. kalkoenen als bedoeld het tweede lid, onderdeel b, en, voor zover de monsters afkomstig zijn van kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier, zesde lid, onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen Mycoplasma meleagridis.
2. Een houder van kippen of kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier of die daartoe worden opgefokt laat per stal bij 1% van het aantal dieren, maar bij ten minste 30 en ten hoogste 60 dieren ten minste 1 milliliter bloed afnemen:
a. in geval van kippen: op een leeftijd van 15 of 16 weken, 20 tot en met 22 weken, 30 weken, en vervolgens iedere 12 weken;
b. in geval van kalkoenen: op een leeftijd van 10 weken, 18 weken, 26 weken en vervolgens iedere 12 weken;
c. in de twee weken voorafgaand aan het vervoer naar een ander bedrijf waar kippen of kalkoenen gehouden worden, behalve bij eendagskuikens.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, gebeurt de monstername bij kippen die worden gehouden als grootouderdier of die daartoe worden opgefokt op een leeftijd van 15 of 16 weken, 20 weken en vervolgens iedere 8 weken.
4. Een houder die kippen opfokt die bestemd zijn om te worden gehouden als legkip laat in de drie weken voorafgaand aan de verplaatsing van een koppel kippen naar een ander legkippenbedrijf per stal bij ten minste 24 van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.
5. Een houder van een koppel legkippen laat in de negen weken voorafgaand aan het moment waarop die dieren worden geslacht per stal bij ten minste tien van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.
6. Onverminderd het tweede lid, onderdelen b en c, laat een houder van kalkoenen in de drie weken voorafgaand aan het moment waarop de dieren worden geslacht bij ten minste 24 van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.
a. kippen of kalkoenen wordt onderzocht op de aanwezigheid van antistoffen tegen Mycoplasma gallisepticum, en
b. kalkoenen als bedoeld het tweede lid, onderdeel b, en, voor zover de monsters afkomstig zijn van kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier, zesde lid, onderzoeken op de aanwezigheid van antistoffen tegen Mycoplasma meleagridis.
2. Een houder van kippen of kalkoenen die worden gehouden als vermeerderingsdier of die daartoe worden opgefokt laat per stal bij 1% van het aantal dieren, maar bij ten minste 30 en ten hoogste 60 dieren ten minste 1 milliliter bloed afnemen:
a. in geval van kippen: op een leeftijd van 15 of 16 weken, 20 tot en met 22 weken, 30 weken, en vervolgens iedere 12 weken;
b. in geval van kalkoenen: op een leeftijd van 10 weken, 18 weken, 26 weken en vervolgens iedere 12 weken;
c. in de twee weken voorafgaand aan het vervoer naar een ander bedrijf waar kippen of kalkoenen gehouden worden, behalve bij eendagskuikens.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, gebeurt de monstername bij kippen die worden gehouden als grootouderdier of die daartoe worden opgefokt op een leeftijd van 15 of 16 weken, 20 weken en vervolgens iedere 8 weken.
4. Een houder die kippen opfokt die bestemd zijn om te worden gehouden als legkip laat in de drie weken voorafgaand aan de verplaatsing van een koppel kippen naar een ander legkippenbedrijf per stal bij ten minste 24 van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.
5. Een houder van een koppel legkippen laat in de negen weken voorafgaand aan het moment waarop die dieren worden geslacht per stal bij ten minste tien van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.
6. Onverminderd het tweede lid, onderdelen b en c, laat een houder van kalkoenen in de drie weken voorafgaand aan het moment waarop de dieren worden geslacht bij ten minste 24 van die dieren 1 milliliter bloed afnemen.