BWBR0017837
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 23
Wet werk en inkomen kunstenaars
1. Het recht op uitkering bestaat jegens het college van een daartoe bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gemeente waartoe de kunstenaar, gelet op zijn woonplaats als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 10, eerste lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">11 van het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>, behoort.
2. De aanvraag wordt ingediend bij het college.
3. Indien de kunstenaar gehuwd is, wordt de aanvraag door de echtgenoten gezamenlijk ingediend, dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
4. Het college stelt het recht op uitkering op aanvraag vast.
5. Het college besluit, gehoord de adviserende instelling, of:
a. de aanvraag is ingediend door een kunstenaar, en of aan de eisen, bedoeld in artikel 8, onderdelen b en c, voldaan wordt, of
b. de uitkering moet worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c.
2. De aanvraag wordt ingediend bij het college.
3. Indien de kunstenaar gehuwd is, wordt de aanvraag door de echtgenoten gezamenlijk ingediend, dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
4. Het college stelt het recht op uitkering op aanvraag vast.
5. Het college besluit, gehoord de adviserende instelling, of:
a. de aanvraag is ingediend door een kunstenaar, en of aan de eisen, bedoeld in artikel 8, onderdelen b en c, voldaan wordt, of
b. de uitkering moet worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c.