BWBR0017837
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 2
Wet werk en inkomen kunstenaars
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde;
e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing van één van de partners.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de kunstenaar en zijn echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van een uitkering krachtens deze wet, de Wet investeren in jongeren of de Wet werk en bijstand voor de verlening van uitkering als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.
6. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
7. Onder voormalig pleegkind wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de <a href="/wet/BWBR0016637" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de jeugdzorg</a>of kinderbijslag ontving op grond van de <a href="/wet/BWBR0002368" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Kinderbijslagwet</a>.
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde;
e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing van één van de partners.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de kunstenaar en zijn echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van een uitkering krachtens deze wet, de Wet investeren in jongeren of de Wet werk en bijstand voor de verlening van uitkering als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.
6. Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde meerderjarige.
7. Onder voormalig pleegkind wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de <a href="/wet/BWBR0016637" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de jeugdzorg</a>of kinderbijslag ontving op grond van de <a href="/wet/BWBR0002368" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene Kinderbijslagwet</a>.