BWBR0017837
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 22
Wet werk en inkomen kunstenaars
1. Het college kan de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren, indien de kunstenaar:
a. blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen;
b. een verplichting als bedoeld in artikel 20, eerste lid, tweede lid, onderdelen a, b, c en d, of derde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, of
c. een verplichting als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdelen c en e, of derde lid, niet binnen de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen;
d. of zijn echtgenoot de verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
e. of zijn echtgenoot de verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, met uitzondering van de verplichting, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel d, niet binnen de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen.
2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de kunstenaar of zijn echtgenoot de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin de kunstenaar of zijn gezin verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. de maatregel, bedoeld in het eerste lid;
b. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer.
a. blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen;
b. een verplichting als bedoeld in artikel 20, eerste lid, tweede lid, onderdelen a, b, c en d, of derde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen, of
c. een verplichting als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdelen c en e, of derde lid, niet binnen de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen;
d. of zijn echtgenoot de verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
e. of zijn echtgenoot de verplichting, bedoeld in artikel 20, vierde lid, met uitzondering van de verplichting, bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel d, niet binnen de daarvoor door het college vastgestelde termijn is nagekomen.
2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de kunstenaar of zijn echtgenoot de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin de kunstenaar of zijn gezin verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
3. De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
a. de maatregel, bedoeld in het eerste lid;
b. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer.