BWBR0016409
Geldig vanaf 2004-04-01
Artikel 7
Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast
1. De Minister betrekt bij de beoordeling van de aanvraag het advies bedoeld in artikel 6.
2. De uitkering wordt niet verleend indien:
a. het advies, bedoeld in artikel 6, niet is ontvangen;
b. de aanvraag niet voldoet aan de criteria als genoemd in artikel 2, tweede lid;
c. uit het uitvoeringsplan niet blijkt dat de uitvoering van het uitvoeringsplan zal worden gestart binnen zes maanden na de dag waarop de uitkering is verleend;
d. uit het uitvoeringsplan niet blijkt dat de werkzaamheden aan een project kunnen zijn afgerond binnen vier jaren nadat met de uitvoering van het project is gestart;
e. uit het uitvoeringsplan niet blijkt dat alle werkzaamheden ter uitvoering van het uitvoeringsplan in elk geval uiterlijk op 1 juli 2010 zijn afgerond;
f. de werkzaamheden al voor 1 januari 2004 zijn gestart;
g. er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat betrokkenen de uitvoering van het project dan wel de projecten, opgenomen in het uitvoeringsplan, niet kunnen financieren;
h. er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten niet zullen worden verkregen.
3. Artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrechtis van overeenkomstige toepassing.
2. De uitkering wordt niet verleend indien:
a. het advies, bedoeld in artikel 6, niet is ontvangen;
b. de aanvraag niet voldoet aan de criteria als genoemd in artikel 2, tweede lid;
c. uit het uitvoeringsplan niet blijkt dat de uitvoering van het uitvoeringsplan zal worden gestart binnen zes maanden na de dag waarop de uitkering is verleend;
d. uit het uitvoeringsplan niet blijkt dat de werkzaamheden aan een project kunnen zijn afgerond binnen vier jaren nadat met de uitvoering van het project is gestart;
e. uit het uitvoeringsplan niet blijkt dat alle werkzaamheden ter uitvoering van het uitvoeringsplan in elk geval uiterlijk op 1 juli 2010 zijn afgerond;
f. de werkzaamheden al voor 1 januari 2004 zijn gestart;
g. er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat betrokkenen de uitvoering van het project dan wel de projecten, opgenomen in het uitvoeringsplan, niet kunnen financieren;
h. er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de voor de uitvoering van het project benodigde besluiten niet zullen worden verkregen.
3. Artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrechtis van overeenkomstige toepassing.