BWBR0016409
Geldig vanaf 2004-04-01
Artikel 10
Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast
1. Bij verlening van de uitkering wordt het bedrag aangegeven dat per kalenderjaar ten hoogste aan voorschotten kan worden verleend. Het totale bedrag dat aan voorschotten wordt verleend, bedraagt niet meer dan 80%, met een maximum van € 2 miljoen per jaar, van het bedrag van de verleende uitkering, voorzover de in de begroting van het Infrastructuurfonds opgenomen bedragen voor het desbetreffende jaar het toestaan.
2. Voorschotten worden jaarlijks verleend op basis van in te dienen declaraties, die zijn afgestemd op de gerealiseerde voortgang van de activiteiten en die zijn onderbouwd met een (tussentijdse) voortgangsrapportage.
3. De declaraties met de voortgangsrapportage worden na toekenning van de aanvraag in 2004 voor 1 oktober ingediend en in de daaropvolgende jaren steeds voor 1 september. Zes maanden na het einde van de looptijd van het uitvoeringsplan kunnen geen declaraties meer worden ingediend.
4. De in het tweede lid bedoelde voortgangsrapportage bevat in ieder geval voor elk in het uitvoeringsplan opgenomen projectplan:
a. een overzicht van de gerealiseerde werkzaamheden in de periode tussen start van het project, dan wel het moment van de vorige declaratie, en het moment van indienen van de huidige declaratie;
b. een overzicht van alle voor het uitvoeringsplan gemaakte kosten, met een verbijzondering van de gemaakte kosten in de periode zoals bedoeld onder a, naar de kosten, bedoeld in artikel 4, tweede lid;
c. een geactualiseerde planning van de in het kader van het uitvoeringsplan nog te verrichten werkzaamheden, in het bijzonder in het eerstvolgende jaar;
d. een raming van alle voor het uitvoeringsplan nog te maken kosten, met een verbijzondering van de kosten voor het eerstvolgende jaar naar de kosten bedoeld in artikel 4, tweede lid;
e. een overzicht van de wijzigingen ten opzichte van het uitvoeringsplan, en specifiek ten aanzien van de daarin opgenomen indicatoren, zoals bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder b.
5. De voorschotten worden betaald binnen 8 weken na ontvangst van de declaratie met de voortgangsrapportage.
6. Indien tijdens de uitvoering van een project uit het uitvoeringsplan aanzienlijke vertraging optreedt, kan de Minister met inachtneming van een redelijke termijn het moment van betaling van de voorschotten wijzigen en aanpassen aan de werkelijke voortgang van de uitvoering.
2. Voorschotten worden jaarlijks verleend op basis van in te dienen declaraties, die zijn afgestemd op de gerealiseerde voortgang van de activiteiten en die zijn onderbouwd met een (tussentijdse) voortgangsrapportage.
3. De declaraties met de voortgangsrapportage worden na toekenning van de aanvraag in 2004 voor 1 oktober ingediend en in de daaropvolgende jaren steeds voor 1 september. Zes maanden na het einde van de looptijd van het uitvoeringsplan kunnen geen declaraties meer worden ingediend.
4. De in het tweede lid bedoelde voortgangsrapportage bevat in ieder geval voor elk in het uitvoeringsplan opgenomen projectplan:
a. een overzicht van de gerealiseerde werkzaamheden in de periode tussen start van het project, dan wel het moment van de vorige declaratie, en het moment van indienen van de huidige declaratie;
b. een overzicht van alle voor het uitvoeringsplan gemaakte kosten, met een verbijzondering van de gemaakte kosten in de periode zoals bedoeld onder a, naar de kosten, bedoeld in artikel 4, tweede lid;
c. een geactualiseerde planning van de in het kader van het uitvoeringsplan nog te verrichten werkzaamheden, in het bijzonder in het eerstvolgende jaar;
d. een raming van alle voor het uitvoeringsplan nog te maken kosten, met een verbijzondering van de kosten voor het eerstvolgende jaar naar de kosten bedoeld in artikel 4, tweede lid;
e. een overzicht van de wijzigingen ten opzichte van het uitvoeringsplan, en specifiek ten aanzien van de daarin opgenomen indicatoren, zoals bedoeld in artikel 5, vijfde lid, onder b.
5. De voorschotten worden betaald binnen 8 weken na ontvangst van de declaratie met de voortgangsrapportage.
6. Indien tijdens de uitvoering van een project uit het uitvoeringsplan aanzienlijke vertraging optreedt, kan de Minister met inachtneming van een redelijke termijn het moment van betaling van de voorschotten wijzigen en aanpassen aan de werkelijke voortgang van de uitvoering.