BWBR0016409
Geldig vanaf 2004-04-01
Artikel 6
Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast
1. Het waterschap dat, dan wel de gemeente die op grond van deze regeling in aanmerking wil komen voor een uitkering, vraagt tegelijk met het indienen van de aanvraag voor een uitkering, een advies aan de provincie op wier grondgebied de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten zijn gelegen.
2. In gevallen waarin het uitvoeringsplan zich uitstrekt over het grondgebied van meer dan één provincie, wordt het advies gevraagd aan de provincie op wier grondgebied door de uitvoering van de projecten in het uitvoeringsplan het meeste beslag wordt gelegd. Deze provincie overlegt over het uit te brengen advies met de overige betrokken provincies.
3. De provincie stelt het advies op met behulp van het door de Minister vastgestelde adviesformulier en stuurt het binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag aan de uitvoeringsorganisatie. De provincie stuurt een afschrift van het advies aan de aanvrager van de uitkering.
4. Indien het advies niet binnen vier weken kan worden gegeven, stelt de provincie de uitvoeringsorganisatie en de aanvrager daarvan in kennis en noemt zij daarbij een termijn waarbinnen het advies wel tegemoet kan worden gezien.
5. Het advies heeft betrekking op de vraag of:
a. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten bijdragen aan de bestrijding van regionale wateroverlast;
b. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten niet strijdig zijn met de door het provinciaal bestuur vastgestelde deelstroomgebiedsvisie geldend voor de provincie op wier grondgebied de projecten zullen worden uitgevoerd;
c. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten zijn uitgewerkt volgens de drietrapsstrategie vasthouden–bergen–afvoeren;
d. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten zijn afgestemd met de provincie, de gemeente en het waterschap, dan wel provincies, gemeenten en waterschappen, op wier grondgebied de projecten zullen worden uitgevoerd;
e. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten niet strijdig zijn met het vigerend provinciaal ruimtelijk beleid.
2. In gevallen waarin het uitvoeringsplan zich uitstrekt over het grondgebied van meer dan één provincie, wordt het advies gevraagd aan de provincie op wier grondgebied door de uitvoering van de projecten in het uitvoeringsplan het meeste beslag wordt gelegd. Deze provincie overlegt over het uit te brengen advies met de overige betrokken provincies.
3. De provincie stelt het advies op met behulp van het door de Minister vastgestelde adviesformulier en stuurt het binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag aan de uitvoeringsorganisatie. De provincie stuurt een afschrift van het advies aan de aanvrager van de uitkering.
4. Indien het advies niet binnen vier weken kan worden gegeven, stelt de provincie de uitvoeringsorganisatie en de aanvrager daarvan in kennis en noemt zij daarbij een termijn waarbinnen het advies wel tegemoet kan worden gezien.
5. Het advies heeft betrekking op de vraag of:
a. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten bijdragen aan de bestrijding van regionale wateroverlast;
b. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten niet strijdig zijn met de door het provinciaal bestuur vastgestelde deelstroomgebiedsvisie geldend voor de provincie op wier grondgebied de projecten zullen worden uitgevoerd;
c. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten zijn uitgewerkt volgens de drietrapsstrategie vasthouden–bergen–afvoeren;
d. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten zijn afgestemd met de provincie, de gemeente en het waterschap, dan wel provincies, gemeenten en waterschappen, op wier grondgebied de projecten zullen worden uitgevoerd;
e. de in het uitvoeringsplan opgenomen projecten niet strijdig zijn met het vigerend provinciaal ruimtelijk beleid.