BWBR0016409
Geldig vanaf 2004-04-01
Artikel 12
Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast
1. De ontvanger van de uitkering dient binnen zes maanden na het einde van de looptijd van het uitvoeringsplan bij de uitvoeringsorganisatie een aanvraag in tot vaststelling van de uitkering.
2. De aanvraag tot vaststelling van de uitkering gaat vergezeld van:
a. een schriftelijk verslag van het verloop, de uitvoering en de reeds bekende resultaten van de uitgevoerde werkzaamheden;
b. een financieel eindverslag over de tijdens de looptijd van het uitvoeringsplan gemaakte kosten verbonden aan de activiteiten gericht op het bestrijden van regionale wateroverlast.
3. Het financieel eindverslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is voorzien van een verklaring, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboeken opgesteld overeenkomstig het door de Minister vastgestelde controleprotocol, verkrijgbaar bij de uitvoeringsorganisatie.
4. Indien de verleende uitkering minder bedraagt dan € 100.000, kan, in afwijking van het derde lid, worden volstaan met een financieel eindverslag.
5. Indien de aanvrager niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een aanvraag tot vaststelling van de uitkering indient, stelt de Minister de uitkering ambtshalve vast.
6. De artikelen 4:46, 4:47en 4:49 van de Algemene wet bestuursrechtzijn van overeenkomstige toepassing.
2. De aanvraag tot vaststelling van de uitkering gaat vergezeld van:
a. een schriftelijk verslag van het verloop, de uitvoering en de reeds bekende resultaten van de uitgevoerde werkzaamheden;
b. een financieel eindverslag over de tijdens de looptijd van het uitvoeringsplan gemaakte kosten verbonden aan de activiteiten gericht op het bestrijden van regionale wateroverlast.
3. Het financieel eindverslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is voorzien van een verklaring, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboeken opgesteld overeenkomstig het door de Minister vastgestelde controleprotocol, verkrijgbaar bij de uitvoeringsorganisatie.
4. Indien de verleende uitkering minder bedraagt dan € 100.000, kan, in afwijking van het derde lid, worden volstaan met een financieel eindverslag.
5. Indien de aanvrager niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een aanvraag tot vaststelling van de uitkering indient, stelt de Minister de uitkering ambtshalve vast.
6. De artikelen 4:46, 4:47en 4:49 van de Algemene wet bestuursrechtzijn van overeenkomstige toepassing.