BWBR0015640
Geldig vanaf 2003-10-05
Artikel 8
Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam
1. Bij invallende duisternis of bij afnemend zicht en na beëindiging van de werkzaamheden, wordt het landingsterrein onmiddellijk verlaten, tenzij met de havenmeester of de dutymanager operations anders is overeengekomen.
2. Het is, behoudens toestemming van de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations, verboden om brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten binnen een afstand van 20 meter van een vliegtuig of van een opslagplaats voor vliegtuig- en andere brandstoffen.
3. De exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations kunnen, indien de goede orde en veiligheid zulks vereisen, direct een activiteit laten onderbreken of stopzetten.
4. Beschadiging van het terreinoppervlak, de daarop geplaatste installaties of voorzieningen, waardoor enig gevaar of schade voor luchtvaartuigen kan ontstaan, wordt onverwijld door of vanwege de veroorzaker ter kennis van de havenmeester of de dutymanager operations gebracht.
5. Obstakels, gereedschappen, voertuigen of materialen worden niet geplaatst of achtergelaten, anders dan op de door de havenmeester of de dutymanager operations aangewezen gedeelten van het landingsterrein.
6. Alle meegevoerde of gebezigde voertuigen moeten op het landingsterrein zijn voorzien van een helder rode of roodwit geblokte vlag en een geel zwaailicht.
2. Het is, behoudens toestemming van de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations, verboden om brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten binnen een afstand van 20 meter van een vliegtuig of van een opslagplaats voor vliegtuig- en andere brandstoffen.
3. De exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations kunnen, indien de goede orde en veiligheid zulks vereisen, direct een activiteit laten onderbreken of stopzetten.
4. Beschadiging van het terreinoppervlak, de daarop geplaatste installaties of voorzieningen, waardoor enig gevaar of schade voor luchtvaartuigen kan ontstaan, wordt onverwijld door of vanwege de veroorzaker ter kennis van de havenmeester of de dutymanager operations gebracht.
5. Obstakels, gereedschappen, voertuigen of materialen worden niet geplaatst of achtergelaten, anders dan op de door de havenmeester of de dutymanager operations aangewezen gedeelten van het landingsterrein.
6. Alle meegevoerde of gebezigde voertuigen moeten op het landingsterrein zijn voorzien van een helder rode of roodwit geblokte vlag en een geel zwaailicht.