BWBR0015640
Geldig vanaf 2003-10-05
Artikel 10
Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam
1. Voertuigen hebben slechts toegang tot het niet voor publiek toegankelijke gedeelte van het luchtvaartterrein, indien daartoe door de exploitant of namens deze de havenmeester dan wel de dutymanager operations toestemming is verleend.
2. Voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn.
3. Voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens en airsidevignet.
4. Voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
5. Een voertuig wordt zodanig bij een luchtvaartuig opgesteld, dat dit ten alle tijde onbelemmerd van dit luchtvaartuig kan worden weggereden.
6. Voertuigen zijn uitgerust met een deugdelijke parkeerrem of andere blokkeerinrichting, welke inrichting in werking is gesteld indien het bedienend personeel zich niet in of op het voertuig bevindt.
2. Voertuigen hebben slechts toegang voor de duur van de werkzaamheden waarbij zij benodigd zijn.
3. Voertuigen zijn voorzien van door de exploitant voorgeschreven markeringstekens en airsidevignet.
4. Voertuigen, waarvan de motor in werking is gesteld, worden niet onbeheerd achtergelaten, met uitzondering van voertuigen die dienen om geparkeerde vliegtuigen van spanning of lucht te voorzien.
5. Een voertuig wordt zodanig bij een luchtvaartuig opgesteld, dat dit ten alle tijde onbelemmerd van dit luchtvaartuig kan worden weggereden.
6. Voertuigen zijn uitgerust met een deugdelijke parkeerrem of andere blokkeerinrichting, welke inrichting in werking is gesteld indien het bedienend personeel zich niet in of op het voertuig bevindt.