BWBR0013810
Geldig vanaf 2002-07-01
Artikel 10
Vrijstellingsregeling Wtk 1992
1. Vrijstelling van het in artikel 82, eerste lid, van de wet, genoemde verbod opvorderbare gelden aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben, wordt verleend, voor zover het betreft het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van gelden tegen uitgifte van waardepapieren aan toonder, zoals zegels en dergelijke, als onderdeel van een verkooptransactie in het groothandels-, industrieel of detailhandelsbedrijf.
2. Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende voorschriften verbonden:
a. het eigen vermogen van de uitgevende ondernemingen of instellingen, onder aftrek van immateriële activa, bedraagt ten minste € 226.890;
b. per verkooptransactie als bedoeld in het eerste lid, mag voor een bedrag van ten hoogste een vierde van de verkoopprijs aan zegels en dergelijke worden verkocht;
c. jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar dienen de uitgevende ondernemingen of instellingen een jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bij de Bank in; de jaarrekening vermeldt het bedrag van het eigen vermogen, bedoeld in onderdeel a; de jaarrekening is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en deze verklaring houdt in, dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de uitgevende ondernemingen of instellingen en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar.
3. Vrijstelling van het in artikel 82, eerste lid, van de wetgenoemde verbod te bemiddelen ter zake van het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden, wordt verleend, voor zover deze bemiddeling betreft de uitgifte van waardepapieren aan toonder, waarop de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is.
2. Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende voorschriften verbonden:
a. het eigen vermogen van de uitgevende ondernemingen of instellingen, onder aftrek van immateriële activa, bedraagt ten minste € 226.890;
b. per verkooptransactie als bedoeld in het eerste lid, mag voor een bedrag van ten hoogste een vierde van de verkoopprijs aan zegels en dergelijke worden verkocht;
c. jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar dienen de uitgevende ondernemingen of instellingen een jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bij de Bank in; de jaarrekening vermeldt het bedrag van het eigen vermogen, bedoeld in onderdeel a; de jaarrekening is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en deze verklaring houdt in, dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de uitgevende ondernemingen of instellingen en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar.
3. Vrijstelling van het in artikel 82, eerste lid, van de wetgenoemde verbod te bemiddelen ter zake van het aantrekken of ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden, wordt verleend, voor zover deze bemiddeling betreft de uitgifte van waardepapieren aan toonder, waarop de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is.