1. Vrijstelling van de in de
artikelen 6, eerste lid,
31, eerste lid,
32, eerste lid,
38, eerste lid, van de wet, genoemde verboden wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4, verleend aan ondernemingen of instellingen die hun bedrijf maken van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden van partijen niet zijnde professionele marktpartijen en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen, voor zover het ter beschikking verkrijgen van deze, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden geschiedt door middel van het aanbieden van effecten als omschreven in
artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, in overeenstemming met hetgeen dienaangaande bij of krachtens die wet is bepaald en,
a. de ondernemingen of instellingen die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden, zorg dragen voor een onvoorwaardelijke garantie voor alle verplichtingen ontstaan door het ter beschikking verkrijgen van die gelden, welke onvoorwaardelijke garantie is afgegeven door een onderneming of instelling, met een geconsolideerd eigen vermogen dat gedurende de gehele looptijd van de garantie positief is, waarvan de ondernemingen of instellingen die de opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgen dochtermaatschappij zijn;
b. de ondernemingen of instellingen die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden, zorg dragen voor een overeenkomst waarin de onvoorwaardelijke verplichting, is opgenomen om de ondernemingen of instellingen die de opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgen steeds van voldoende fondsen te voorzien, om aan hun verplichtingen te voldoen, welke overeenkomst is aangegaan door een onderneming of instelling, met een geconsolideerd eigen vermogen dat gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst positief is, waarvan de ondernemingen of instellingen die de opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgen dochtermaatschappij zijn; of
c. de ondernemingen of instellingen die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden, zorg dragen voor een garantstelling die is verstrekt door een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet die ingevolge artikel 52, tweede lid, onderdelen a, b, c of d van de wet is ingeschreven of door een overeenkomende onderneming of instelling die haar zetel heeft in een andere Lid-Staat, de Verenigde Staten van Amerika, Japan, Australië, Canada of Zwitserland en onder toezicht staat.
2. Indien het eerste lid van toepassing is vinden de kredietuitzettingen of beleggingen voor ten minste 95 procent van het balanstotaal van die ondernemingen of instellingen plaats binnen het concern waartoe die ondernemingen of instellingen behoren.