BWBR0012538
Geldig vanaf 2014-12-09
Artikel 9
Regeling boorduitrusting
Voor het uitvoeren van een IFR-vlucht in het vluchtinformatiegebied Amsterdam wordt, tenzij door de betreffende verlener van luchtverkeersdiensten een andere opdracht is verstrekt of afwijkende voorschriften van toepassing zijn door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht, een SSR-transponder als volgt gebruikt:
a. de SSR-transponder wordt onmiddellijk voorafgaande aan de opstijging in werking gesteld en in werking gehouden tot de landing;
b. de SSR-transponder wordt ingesteld op de individuele identificatiecode die laatstelijk is verstrekt door de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten;
c. zolang geen individuele identificatiecode is verstrekt, wordt mode A code 2000 ingesteld;
d. indien voor het vertrek blijkt dat de SSR-transponder niet of niet goed werkt en niet voor vertrek kan worden hersteld, wordt 1º de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
2º een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10;
1º de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
2º een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10;
e. indien na het vertrek blijkt dat de SSR-transponder niet of niet goed werkt, wordt rekening gehouden met beperkingen bij de uitvoering van het vliegplan;
f. na de landing wordt al het mogelijke verricht om de SSR-transponder te laten herstellen of vervangen voor de volgende vlucht; g. Indien herstel of vervanging ter plaatse niet mogelijk is, wordt 1º de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
2º een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10.
1º de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
2º een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10.
a. de SSR-transponder wordt onmiddellijk voorafgaande aan de opstijging in werking gesteld en in werking gehouden tot de landing;
b. de SSR-transponder wordt ingesteld op de individuele identificatiecode die laatstelijk is verstrekt door de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten;
c. zolang geen individuele identificatiecode is verstrekt, wordt mode A code 2000 ingesteld;
d. indien voor het vertrek blijkt dat de SSR-transponder niet of niet goed werkt en niet voor vertrek kan worden hersteld, wordt 1º de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
2º een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10;
1º de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
2º een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10;
e. indien na het vertrek blijkt dat de SSR-transponder niet of niet goed werkt, wordt rekening gehouden met beperkingen bij de uitvoering van het vliegplan;
f. na de landing wordt al het mogelijke verricht om de SSR-transponder te laten herstellen of vervangen voor de volgende vlucht; g. Indien herstel of vervanging ter plaatse niet mogelijk is, wordt 1º de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
2º een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10.
1º de betrokken verlener van luchtverkeersdiensten hierover zo spoedig mogelijk en bij voorkeur voorafgaand aan het indienen van het vliegplan ingelicht, en
2º een vliegplan ingediend met als bestemming de dichtstbijzijnde geschikte luchthaven waar herstel kan plaatsvinden, met vermelding van de staat van de SSR-transponder onder punt 10.